Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRIVAATRECHTELIJKE ORGANISATIEVORMEN

te leiden. Een nadere bespreking van de twee gebruikelijke vormen, de naamlooze vennootschap en de stichting, zal dit ook aantoonen.

Daarom verdient in het algemeen de publieke organisatievorm de voorkeur en kunnen slechts bijzondere omstandigheden een voldoende motief voor de keuze van een privaten rechtsvorm opleveren.

§ 2. De wetgever en de privaatrechtelijke organisatievorm

Hier te lande is nimmer betwijfeld, dat de gemeenten wettelijk Privaatbevoegd waren bedrijven in privaatrechtelijken vorm op te richten vomttewls en te exploiteeren. Tot 1931 was hiervoor ook, zooals ik reeds op- toegestaan, merkte, in het algemeen geen andere goedkeuring of machtiging van het hoogere bestuur vereischt dan die, welke voortvloeide uit het begrootingstoezicht').

Wel heeft ten onzent het verschil van inzicht nopens de wenschelijkheid van den privaatrechtelijken bedrijfsvorm uiting gevonden in ontwerpen tot wijziging van de Gemeentewet en zijn tenslotte bij de wijziging van 1931 eenige bepalingen dienaangaande in de wet gekomen.

De strijd heeft zich afgespeeld op het terrein van de gemeenschappelijke regeling.

Het ontwerp-Cort van der Linden van 1915 2) betreffende rege- Ontwerpling van gemeenschappelijke belangen van twee of meer gemeenten, Linden, dat het in de parlementaire behandeling niet verder dan tot een voorloopig verslag heeft gebracht, bevatte de volgende bepaling: „Gemeenschappelijke regeling, — waarbij de belangen der ingezetenen rechtstreeks betrokken zijn, — door de oprichting eener naamlooze vennootschap, wordt niet goedgekeurd".

De Staatscommissie Oppenheim tot voorbereiding van de her- Staatsziening der gemeentewet wilde veel minder ver gaan. Zij nam geen Oppenheim. verbod van den privaatrechtelijken associatievorm in haar ontwerp op, doch volstond met den eisch te stellen, dat het deelnemen aan

*) Anders was dit in België. Daar werd met name een bevoegdheid der gemeenten om intercommjnale naamlooze vennootschappen op te richten met den aard der wettelijke bestuursorganisatie, die in groote trekken toch veel op de Nederlandsche geleek, onvereenigbaar geacht. Speciale wetten kwamen tot stand om aan zoodanige vennootschappen een rechtsgeldig bestaan te verschaffen. Zie Struycken t.a. p. blz. 16 noot,

blz. 34 en vlg., Van Poelje, Osmose, blz. 84 en vlg.

2) Bijlagen Tweede Kamer 1914/1915, no. 315.

Sluiten