Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEMEENTELIJK GRONDBEDRIJF

zoo dient men te voorkomen, dat het tegenwoordig geslacht al te zwaar ten behoeve van het nageslacht wordt belast. Daarom wordt toegestaan den gewonen dienst der gemeente van den economisch niet noodzakelijken last der aflossingen te bevrijden door de aflossingen te dekken uit kapitaalontvangsten, zoo noodig dus uit nieuwe leeningen.

Rente- Minder eenvoudig is te verklaren, waarom het in bepaalde ge-

bijschrijving. vajjen ge00rl00fa is te achten ook de rentebetalingen niet op den gewonen dienst te laten drukken. Het is hiertoe noodig aan te knoopen bij de beschouwingen in § 1 omtrent de prijsvorming van de terreinen aan den rand der bebouwing. Deze hadden, naar wij zagen, een waarde, hooger dan die van cultuurgrond.

Waarde van Indien een voortschrijdende stadsuitbreiding mag worden vertótenï wacht' zullen ook verder liggende terreinen een waarde kunnen terreinen' hebben, hooger dan die van cultuurgrond. Deze waarde is afhanaan den rand. yan den prijS) j;en ieJer terrein op het toekomstig tijdstip

van zijn bebouwing zal kunnen behalen, en van de tijdsruimte, welke nog vóór dien zal moeten verstrijken. Een zuivere theoretische fundeering van deze gedachte en van de rentebijschrijving als haar consequentie vinden wij reeds in 1908, in een Economistartikel van Mr. S. J. R. de Monchy. Aan zijn helder betoog ontleen

ik de volgende passage x):

„Nemen wij het eenvoudigste geval, nl. dat de gemeente een stuk grond koopt, dat op dit oogenblik niets opbrengt, doch in de toekomst vermoedelijk als bouwterrein een goeden verkoopprijs zal opleveren. Hoe zal dan de eigenaar zijn vraag, de gemeente haar aanbod bepalen? Zij zullen zich afvragen, hoe lang het vermoedelijk nog duren zal, voordat de grond als bouwterrein te verkoopen zal zijn en welke dan zijn waarde zal zijn. Die waarde op dat verwijderde tijdstip zullen zij disconteeren. Wat nu is disconteeren anders dan berekenen welk bedrag men rente op rente zou moeten uitzetten om na een bepaald tijdvak een bepaalde som te erlangen? Wanneer dus het grondbedrijf, behalve voor de koopsom (het resultaat der

1) Economist, Augustus 1908 en Gerritsz, Modern Gemeentebeheer, hoofdstuk VII door Mr. S. J. R. de Monchy, blz. 457 en 458.

Sluiten