Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerst de ruimere vraag na, of de derde, die bewust aan een contractbreuk ten eigen profijte medewerkt, jegens de gelaedeerde contractspartij uit onrechtmatige daad aansprakelijk is.

Deze laatste vraag besprekend, neemt hij op het voetspoor van Drucker aan, dat er nog iets meer noodig is, dan enkel maar, dat de derde opzettelijk van contractbreuk gebruik maakt ')• Dit „meer" moet redengevend zijn, waarom men niet alleen den contractant, die zijn verplichtingen schendt, aansprakelijk doet zijn, maar ook het gedrag van den derde, die er aan meewerkt, in strijd acht met de maatschappelijke behoorlijkheid.

Na bespreking van enkele voorbeelden komt hij tot de conclusie 2) „dat bewust meewerken aan anderer contractbreuk op zichzelf nog geen onrechtmatige daad kan worden geacht". Maar het kan o.a. onrechtmatig worden,

1. Indien het een opzettelijke verijdeling van het opzettelijke doel van deze contractsverplichting is, of

2. Indien daardoor een contractueel verzekerde voorsprong tusschen overigens gelijkwaardige concurrenten in zijn tegendeel wordt verkeerd, of

3. Indien het op heimelijke of slinksche wijze geschiedt.

Levenbach heeft in zijn bespreking niet uit elkaar gehouden het geval dat een derde meewerkt aan het tot stand komen van een contractbreuk en het geval dat de derde profiteert van een reeds plaats gehad hebbende contractbreuk, doch het gaat hem blijkbaar om het geval van medewerking aan contractbreuk.

H. Mulderije 3) is van oordeel, dat het inbreuk maken van een derde op een overeenkomst tusschen anderen, of het voordeel trekken door een derde uit contractbreuk tusschen anderen gepleegd, in den regel geen onrechtmatige daad is, daar contractbreuk in het algemeen ook niet als een onrechtmatige daad wordt beschouwd.

De derde pleegt slechts een onrechtmatige daad in bijzondere omstandigheden, b.v. indien contractbreuk met het beloven van bijzondere voordeelen door een derde wordt uitgelokt.

i a. w. bl. 18.

2) a. w. bl. 28.

3) H. Mulderije, „Contractpartijen en derden", N.J.B. 1933, bl. 453.

Sluiten