Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G. de Grooth, dien ik reeds vroeger aanhaalde, meent in de eerste plaats met den Hoogen Raad, dat een anders geoorloofde handeling onrechtmatig is in den zin van art. 1401, indien daardoor zonder redelijken grond aan een ander opzettelijk nadeel wordt toegebrachta). Dit zelfde zal volgens hem gelden, indien die opzettelijke handeling als onzedelijk dient te worden gequalificeerd, b.v. opzettelijke medewerking aan contractbreuk.

Verkoop van merkartikelen beneden den vastgestelden prijs acht hij op zich zelf niet onzedelijk, tenzij samenspanning tusschen den contractueel gebondene en den derde kan worden aangetoond.

Volgens de Grooth ligt het geval echter anders, indien een contractant krachtens overeenkomst houder is van een zaak. „Inbreuk van een derde op dat houderschap, opzettelijk of culpoos, geeft den detentor een actie uit art. 1401 B.W. tegen dien derde".

De Grooth wijst ook op de gevallen, waarin een vertegenwoordiger van het vermogen van een ander zich schuldig maakt aan het aantasten van rechten uit overeenkomst, gesloten tusschen vertegenwoordigde en een derde. „Telkens wanneer zulke vertegenwoordigers plichtsverzuim verweten kan worden, wanneer vastgesteld wordt, dat zij niet hebben gehandeld zooals een behoorlijk bestuurder, een behoorlijken voogd in het maatschappelijk verkeer betaamt, zullen zij voor hun handelingen, waardoor contractueele rechten van derden tegenover den vertegenwoordigde aangetast worden, aansprakelijk zijn jegens die derden".

Prof. Meijers heeft in een uitvoerige noot onder een arrest van den Hoogen Raad d.d. 11 November 1937 2) een en ander gezegd over ons probleem. Hij merkt op, dat het weinig tegenspraak ondervindt, wanneer de derde aansprakelijk wordt gehouden in geval hij merkartikelen verkoopt beneden den vastgestelden prijs, die hij zelf gekocht heeft van iemand, die, naar hem bekend is, daarbij contractbreuk pleegde. „Uitlokking of medeplichtigheid aan contractbreuk wordt reeds lang m Frankrijk en bij ons als een onrechtmatige daad beschouwd. In het geval, dat in genoemd arrest werd beslist, betrof het even-

ï) t. a. p. bl. 161. 2) N.J. 1937, no 1096.

Sluiten