Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verrichten van geestesarbeid in het door Wentink als huurder gebruikte perceel in ernstige mate wordt belemmerd".

Hier zien wij dus, dat de opzettelijke stoornis van het huurgenot als onrechtmatig is aan te merken. Indien de H.R. het huurgenot ten tijde van dit laatste arrest niet als absoluut recht beschouwde, en de opzettelijke inbreuk daarop toch als onrechtmatig, dan is dus volgens de H.R. de opzettelijke stoornis van het huurgenot een daad, welke in strijd is met de zorgvuldigheid, welke betaamt t.a.v. eens anders persoon of goed, waardoor de huurder schade lijdt.

Het staat echter niet vast, dat de Hooge Raad ten tijde van dit arrest het huurgenot niet als absoluut recht beschouwde. Zou het echter verschil kunnen maken? M.i. niet. De H.R. had die beslissing kunnen geven, zoowel, wanneer het huurgenot absoluut recht was, als wanneer het slechts relatief recht was naar de meening van den Hoogen Raad. In het laatste geval was die stoornis immers in strijd met de zorgvuldigheid, welke betaamt tegenover eens anders goed.

Iedere opzettelijke storing van het huurgenot behoeft echter nog geen onrechtmatige daad te zijn. Of het dat al dan niet is, hangt af van de opvattingen in het maatschappelijk verkeer.

De norm, welke de H.R. aangaf, is verwant aan de norm, welke de H.R. later aangaf in het z.g. brandstichtingsarrest i) n.1. dat men niet zonder redelijken grond opzettelijk schade mag toebrengen. Het betrof daar de belangen van een verzekeraar uit een verzekeringsovereenkomst voortvloeiende, welke geschonden waren.

In later te bespreken gevallen zullen wij gelegenheid hebben voorbeelden te geven van de opzettelijke schending van andere contractueele belangen.

Indien de storing van het huurgenot niet opzettelijk geschiedt, dan is het toch zeer goed mogelijk, dat de huurder den stoorder tot schadevergoeding kan aanspreken. Iemand kan door onvoorzichtigheid brand veroorzaken in het gehuurde perceel b.v. door achteloos een lucifer weg te werpen, waardoor niet alleen de eigenaar schade lijdt, doch ook de huurder tijdelijk huurgenot moet missen.

Naar mijn meening wordt een dergelijke daad als onbehoorlijk

1) H.R. 24 Jan. 1930, N.J. 1930, bl. 299.

Sluiten