Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschouwd niet met t oog op een of meer bepaalde belangen, maar omdat er in t algemeen schade uit kan voortvloeien voor welk belang dan ook. Door brand kunnen menschen het leven verliezen, eigendommen kunnen verloren gaan, als ook een bedrijf vernietigd worden. Het zou daarom onjuist zijn te zeggen, dat men geen lucifers achteloos mag wegwerpen met het oog op gevaar voor een of ander bepaald belang.

W. H. Drucker heeft in zijn proefschrift in ander verband hierop ook reeds gewezen i). Hij zegt b.v. „Pianospelen kan iemand schaden in zijn eigendom en in zijn gezondheid. In hoever pianospelen geoorloofd is, werd niet beoordeeld naar aanleiding van de vraag, hoeveel een gewoon mensch verdragen kan, niet eens zelfs naar de vraag, welke eischen gewone huurders plegen te stellen, veel minder naar aanleiding van de vraag, wat schadelijk voor het goed is te achten, maar naar aanleiding van de vraag, wat als een behoorlijke gewoonte is te beschouwen".

Als voorbeeld uit de rechtspraak van niet opzettelijke schending van de belangen van een pachter kan men beschouwen de zaak, welke beslist werd door de Rechtbank te Tiel op 27 Februari 1920 2). Door een grondeigenaar werd aan een paar jagers vergunning verleend om op zijn grond te jagen. Hij mocht die vergunning echter niet geven, daar er een heerlijk jachtrecht op dien grond bestond, hetwelk verpacht was. De grondeigenaar had daarover wel eens hooren spreken, doch was er feitelijk niet mee op de hoogte. De rechthebbende op het heerlijk jachtrecht en zijn pachter spraken den grondeigenaar, van den Oever, aan. De Rechtbank gaat in haar vonnis met de eischers mee en overweegt:

„dat gedaagde van den Oever allereerst betwist een onrechtmatige daad te hebben gepleegd door voornoemde jachtvergunning te verleenen;

O. dat deze bewering onjuist is;

dat toch v. d. Oever, die als grondeigenaar aan de beide andere gedaagden schriftelijk vergunning heeft gegeven om zijn gronden te bejagen, terwijl een derde krachtens heerlijk jachtrecht het uitsluitend recht daartoe had, daardoor een handeling heeft verricht, welke indruischt tegen de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijk

1) W. H. Drucker „Onrechtmatige daad" bl 212

2) N.J. 1920, bl. 295.

Sluiten