Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigenaar maar wel tegenover den huurder. Het is dus niet zoo, dat de huurder slechts een actie in kan stellen, wanneer er een onrechtmatige daad is gepleegd tegenover den eigenaar, als gevolg waarvan hij ook (of alleen) schade heeft geleden. Indien men dit laatste wel zou aannemen zou er dus geen norm bestaan, welke den huurder rechtstreeks beschermt, maar zou altijd eerst moeten vaststaan, of een onrechtmatige daad tegenover den eigenaar is gepleegd en daarna onderzocht worden of de schade van den huurder een voorzienbaar gevolg van die onrechtmatige daad is geweest. Uit bovenstaand vonnis is echter af te leiden, dat er maatschappelijke normen zijn, die den huurder wel degelijk rechtstreeks beschermen.

Men moet deze questie niet verwarren met de relativiteitstheorie. Deze theorie onderzoekt welke belangen de normen beoogen te beschermen en neemt aan, dat slechts diegenen een actie hebben, wier belangen die normen bedoelden te beschermen. Volgens die leer zou b.v. aangenomen kunnen worden, dat de normen, welke den eigenaar beoogen te beschermen, niet de bescherming van de belangen van den huurder beoogen, doch daarom gaat het mij niet. Door te beweren, dat er rechtstreeksche normen zijn ter bescherming van den huurder wil ik zeggen, dat er normen bestaan, die de belangen van den huurder zelfstandig beschermen.

Ook P. H. Smits ') neemt het bestaan van dergelijke normen aan. Hij zegt o.a.: „Dit is dan ook voor ons recht, meen ik, na 31 Januari 1919 de aangewezen weg. Wij kunnen ons sedertdien voor de beoordeeling van zijdelingsche belangen, die buiten de sfeer van het subjectief recht staan, losmaken van de onrechtmatigheidsvorm inbreuk op subjectief recht. En dan is het juister het onrechtmatigheidsoordeel, dat gevormd is in verband met normen, die worden opgesteld met het oog op de bescherming van een bepaalde erkende rechtskring niet verder te doen reiken dan de rechthebbende daarop, en daarnaast andere factoren te erkennen, die over de onrechtmatigheid beslissen jegens hen, voor wie het object van eens anders subjectief recht een rol speelt bij hunne obligatoire verhouding. Dit kan voor de beoordeeling verschil uitmaken".

i) p h. Smits, „Iets over de vraag der relativiteit van de onrechtmatigheid bij onrechtmatige daad in verband met de door den Hoogen Raad onderscheiden onrechtmatigheidsvormen", W.P.n.R. 3586, 3587, 3589-3591.

Sluiten