Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De norm, welke uit het besproken vonnis afgeleid kan worden, zou men als volgt kunnen formuleeren: „Gij zult geen handelingen verrichten, waardoor, naar Gij weet, een ander in zijn uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten wordt gestoord".

Voor de aansprakelijkheid van den stoorder van het huurgenot is dus in de eerste plaats noodig, dat hij een handeling heeft gepleegd, welke volgens maatschappelijke opvatting onbehoorlijk is. Hiermede staat echter zijn aansprakelijkheid tegenover den huurder nog niet geheel vast. Men zal er den derde alleen verwijt van kunnen maken, dat hij den huurder stoorde, indien hij kon vermoeden, dat hij inbreuk op huurgenot maakte. Anders kan men niet zeggen, dat hij handelde in strijd met de zorgvuldigheid, welke tegenover den huurder betaamde. In het algemeen kan aangenomen worden, dat het bestaan der huur vermoed kon worden. Er kunnen echter omstandigheden zijn, die tengevolge hebben, dat dit bestaan niet vermoed kon worden. Een voorbeeld hiervan is te vinden in een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam J). In dit geval hadden de gedaagden een terrein van het door eischer gehuurde perceel omgespit. Zij waren daarbij volkomen overtuigd in hun recht te zijn, daar zij het terrein in gebruik hadden genomen op aanwijzing van hun superieuren (officieren) en na controle door dezen en met inachtneming van alle voorschriften. De Rechtbank is dan ook van oordeel, dat de gedaagden geen onrechtmatige daad hebben

gepleegd, en overweegt, dat het van belang is" of, toen

Koelewijn c.s. het terrein gingen bewerken, zij daardoor handelden in strijd met de voorzichtigheid, die in het maatschappelijk verkeer betaamt t.a.v. eens anders goed",

„O., dat, waar niets wijst op schuld bij Koelewijn c.s. en elk schuldelement, noodig voor het slagen van actie uit onrechtmatige daad ontbreekt, deze vraag ontkennend moet beantwoord worden", en tenslotte:

„O., dat hun derhalve geen schuld is te wijten, daar zij gerechtigd waren deze superieuren te vertrouwen en zij niet verplicht waren, alvorens het terrein in gebruik te nemen, een onderzoek in te stellen bij de verschillende departementen".

Het bijzondere was hier, dat door ondergeschikten was gehandeld, die op hun superieuren mochten vertrouwen.

1) 6 Febr. 1928, N.J. 1928, bl. 745.

Sluiten