Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu die hoge rente veroorzaakt, door het gering economisch perspectief of door de meerdere stijging van de opbrengst.

Men zou kunnen zeggen: de factor die het meeste gewicht in de schaal legt, bepaalt de kapitaalrente, die de inheemsen hoogstens zullen willen betalen. Door welke van de twee factoren telkens de kapitaalrente bepaald wordt, hangt dus af van de bijzondere omstandigheden, waarin de geldlener telkens verkeert. Tenslotte kan men hieraan de opmerking toevoegen: het gering economisch perspectief wordt veroorzaakt,

doordat de inheemse productie geschiedt hoofdzakelijk door natuur en arbeid met weinig kapitaalgoederen. (Men is daardoor niet gewoon ver in de toekomst vooruit te zien).

En het verschijnsel van de meerdere stijging van de opbrengst, die kapitaalgoederen opleveren voor den inheemsen producent,

die geen kapitaalgoederen heeft .... spruit voort uit dezelfde oorzaak; nl. het feit, dat de productie geschiedt hoofdzakelijk met natuur en arbeid en weinig kapitaalgoederen. 1)

Het is van belang die hoge rente nog nader te bekijken „Kostprijs" van het standpunt van den geldschieter. Verondersteld, dat de geldschieter X in 1930 gemiddeld steeds een bedrag van inheemsen. ƒ 5000,— had uitstaan en dat hij van dit bedrag jaarlijks 10 %

moet afstaan aan dengeen, die hem aan die ƒ 5000,—- heeft geholpen (taukeh, djoeragan). Eenvoudigheidshalve zullen wij maar aannemen, dat die 10 % de zuivere rente vertegenwoordigt.

uitheemsen verkoper. Er is dus een grote „marge" tussen vraagprijs en kostprijs. Door de onderlinge concurrentie tussen de uitheemse verkopers zou dus de inheemse koper het voordeel van die „marge" gedeeltelijk voor zich kunnen houden.

Hij zou dus dikwijls veel minder betalen dan zijn „vraagprijs"

en dus telkens een voordeel genieten. Wanneer hij echter koopt met geleend geld of op afbetaling, dan verdwijnt het voordeel geheel of gedeeltelijk weer door de hoge rente, die hij aan den credietgever moet betalen.

x) In de opstellen over adatrecht van Dr. G. A. Wilken, pag.

407 leest men, dat bij vele volken van de Archipel de gewone interest 100 % bedraagt; als voorbeelden worden daarbij genoemd de Bataks, de bewoners van Nias, Alfoeren.

Van de Dajakse stam der Oio Ngadju wordt verteld, dat bij hen de schuld na elk jaar halipet dat is „gevouwen" m. a. w. verdubbeld wordt. Wel bestaat nog het maniga, het uitlenen tegen 50 %, doch dit wordt bij uitzondering en, naar het schijnt,

alleen tegenover bloedverwanten gedaan.

Sluiten