Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIV. Het aantal gehuwde Joodsche vrouwen pro mille van

alle gehuwde vrouwen per leeftijdsgroep.

T ,..Volkstellingen

Leeftijdsgroepen ,909 1920 1930

20—29 jaar 16,7 16,0 11,5

30—39 „ 18,5 18,5 14,5

40—49 „ 20,2 20,7 18,2

50—59 „ 21,0 20,9 19,8

60—69 „ 21,5 21,2 19,5

70—79 „ 22,9 21,2 19,9

80— „ 25,2 21,5 23,8

20—29 „ 100 70

30—39 „ 100 78

40—49 „ 100 90

50 jaar en ouder 100 93

Duidelijk komt dit tot uitdrukking in het tweede gedeelte van tabel XIV, waarin het verhoudingscijfer voor 1909 telkens op 100 is gesteld.

De prognose voor de volgende decennia kan men stellen door kennisneming van het aandeel der Joodsche vrouwen beneden den twintigjarigen leeftijd op alle vrouwen bij de jongste volkstelling. Ook omtrent dit gegeven zijn de verhoudingscijfers van de laatste drie volkstellingen naast elkaar geplaatst.

Het aantal Joodsche vrouwen bedroeg pro mille van alle vrouwen

Leeftijdsgroepen Volkstellingen

1909 1920 193C

Beneden 10 jaar 13,7 12,2 9,1

10—19 jaar 17,2 14,1 11,8

De bij de geheele bevolking achtergebleven geboorte bij de Joden in de door de jaren der volkstellingen omspannen periode, komt in deze cijfers duidelijk tot uitdrukking. Van volkstelling tot volkstelling is het aandeel der Joodsche vrouwen beneden den twintigjarigen leeftijd gedaald. Dit moet tot gevolg hebben, dat bij een verdere daling, zelfs bij gelijkblijven van het percentage gehuwde Joodsche vrouwen, en van de gemiddelde Joodsche huwelijksvruchtbaarheid, de geboorte bij de Joden nog verder zal dalen.

Sluiten