Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sproken werd. Niettemin zij n de verschillen tusschen de percentages der beide bevolkingsgroepen hier minder scherp dan zij voor het Rijk bleken te bestaan. In verband met het hierboven gezegde omtrent de vergelijkbaarheid der cijfers betreffende den burgerlijken staat, behoeft deze geringer scherpte der verschillen te Amsterdam geen verklaring meer.

Godsdienst der huwenden.

Voor Amsterdam beschikt men over ruimer materiaal omtrent den godsdienst der huwenden dan voor het Rijk. Van deze gegevens is hier slechts gebruik gemaakt voorzoover zij Joden betroffen of vergelijkingsmateriaal opleverden.

In tabel XIX zijn de absolute cijfers opgenomen sinds het begin dezer eeuw. Eerst met ingang van het jaar 1911 ging men onderscheid maken tusschen huwelijken en huwenden.

Huwelijksfrequentie naar geslacht.

Beschouwing van de absolute cijfers dezer tabel doet zien, dat het aantal huwende Joodsche mannen het aantal huwende Joodsche vrouwen overtreft. Daar het aantal Joodsche vrouwen grooter is dan het aantal Joodsche mannen (Volkstelling 1920: mannen 32.767; vrouwen 36.011. Volkstelling 1930: mannen 31.296; vrouwen 34.507) beteekent dit, dat het aantal Joodsche vrouwen, dat ongehuwd blijft, absoluut en relatief grooter is dan het aantal ongehuwde Joodsche mannen.

Ook op andere wijze blijkt het verschil in huwelijksfrequentie tusschen Joodsche mannen en Joodsche vrouwen onderling en tusschen deze beide groepen en de overige bevolking. Indien men namelijk het aantal gemiddeld per jaar in de periode 1929—1932 in het huwelijk getreden Joodsche en niet-Joodsche mannen en vrouwen betrekt op 1000 in den leeftijd van 20—50 jaar bij de Volkstelling van 1930 aanwezige niet gehuwde mannen, resp. vrouwen verkrijgt men de volgende uitkomsten:

Joden niet-Joden

Huwende mannen . ... 110,7 106,0

vrouwen. . . . 84,0 91,9

Sluiten