Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII.

Slot- en strafbepalingen.

Artikel 12.

(1) [B.P.B. 1934, Serie A No. 9; i.w.g. 28 September 1934], Overtreding van de verbods- en gebodsbepalingen, gesteld bij de artikelen 6, leden (1), (2), (4) tot en met (6), 7, lid (3), 8, leden (1) en (3), 9,10 en 11 wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

(2) Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert een vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan de in het vorige lid van dit artikel bedoelde straf tot het dubbele van het daarbij bepaalde maximum worden opgelegd.

Artikel 13.

Onverminderd de in het vorige artikel genoemde straf kunnen worden verbeurd verklaard, voor zoover den veroordeelde toebehoorende:

a. de producten, verzameld in strijd met de bepalingen van Hoofdstukken III en IV van deze verordening:

b. de voorwerpen, waarmede overtreding van de voorschriften, vermeld in Hoofdstukken III en IV en in artikelen 9 en 10 van deze verordening, is gepleegd.

Artikel 14.

Met het opsporen van overtredingen van de bepalingen dezer verordening zijn mede belast het beheerspersoneel, de mantri'spolitie bij het Boschwezen en de boschwachters.

Artikel 15.

Deze verordening, welke kan worden aangehaald als „Boschbeschermingsverordening Provincie Oost-Java", treedt in werking met ingang van den dertigsten dag na dien harer afkondiging.

Soerabaja, 8 December 1933.

De Gouverneur van de Provincie Oost-Java, J. H. B. Kuneman.

Sluiten