Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WOORD VOORAF

DOOR Mr. Dr. W. G. A. VAN SONSBEECK.

Dat Limburg tot de meest interessante gewesten van ons land behoort, behoeft geen breed betoog. Het is den toeristen bekend, hoe zich in den Zuid-Oosthoek van het Vaderland een gebied uitstrekt van groote verscheidenheid in aspect, in samenstelling van den bodem, in geaardheid der bevolking, een gebied, dat de belangstelling heeft van den natuurvriend, van den historicus, van den geoloog, van den bioloog. Wegens zijn eigenschappen, waardoor het zich van de andere gewesten zoo scherp onderscheidt, zal een buitenlander, die slechts Limburg bezocht, geen juisten indruk van Nederland hebben ontvangen, doch hij, die de overige provinciën doorreisde en Limburg meed, mist een goed oordeel over ons Vaderland, omdat hij zich de kennis onthield van een zijner meest merkwaardige deelen, dat, hoe onafscheidelijk ook van staat en volk, een uitgesproken bijzonder karakter heeft.

Speciaal geldt dit voor Zuid-Limburg, waar de uitloopers van Eifel en Ardennen in landschapsschoon en bodemgesteldheid den minnaar der natuur en den wetenschappelijken onderzoeker rijkelijk stof geven voor genietingen en studie, waar de tweezijdige invloed van de Germaansche en Romaansche cultuur in volksaard en geestesproducten van allerlei aard duidelijk merkbaar is, waar het gebruik van den kolen- en mergelrijken bodem den bekenden strijd voert tegen den in en buiten Limburg levenden wensch, het eigenaardig natuurschoon met zijn groote afwisseling te behouden.

Die strijd is verheffend voor zoover hij den kundigen, krachtigen mensch naar voren brengt, die Gods gaven, in den bodem gelegd, met vindingrijkheid en energie tot ontwikkeling en ten bate van land en volk gebruikt. Die strijd stemt soms neerslachtig, als men ontwaart, hoe in toenemende mate het natuurschoon geweld wordt aangedaan, hoe geboomten en heuvelen ten offer vallen en een zoowel geestelijk als materieel nivelleerende werking het eigen karakter van dit belangwekkende landsgedeelte aantast.

Dit boek, waarin Ir. D. C. van Scha ï k, de kenner van den St. Pietersberg, en zijn zorgzaam gekozen, kundige medewerkers een der merkwaardigste „monumenten” in Zuid-Limburg veelzijdig behandelen, is intusschen geen strijdschrift. Het stelt, naar veelal moei-

Sluiten