Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maastricht in 1794, was er uit dien tijd nog wel iets over de ondéraardsche gangen bekend door een boek, dat in 1798 te Parijs is verschenen en geschreven was door den Franschen geoloog B. F a u j a s de St. Fond, en waarvan in 1802 een Nederlandsche vertaling verscheen, bewerkt door J. D. Pasteur. In dit werk behandelt F a u j a s zeer uitvoerig en deskundig de natuurlijke historie van den St. Pietersberg; hij was door zijn werk als inspecteur der mijnen in de gelegenheid veel wetenschappelijke reizen te ondernemen en zal zeker in de rapporten der Fransche militairen over de merkwaardigheden van den St. Pietersberg, aanleiding gevonden hebben zich voor een nadere bestudeering van den berg naar Maastricht te begeven. Nadat deze stad in November 1794 in Fransche handen was gevallen, maakt F au jas op 25 Januari 1795 een tocht door de onderaardsche gangen van den berg, in gezelschap van de generaals der artillerie DabovilleenBolemont, de generaal der genie La gastin e, Thoin, leeraar in de land- en huishoudkunde in de nationale kruidtuin te Parijs en F r e i c i n e, die zich als vertegenwoordiger des volks bij het leger bevond.

Bij de operaties van de overwinnende Fransche legers werd steeds groote belangstelling aan den dag gelegd voor schatten van kunsten en wetenschappen en de St. Pietersberg had reeds op het einde der achttiende eeuw de aandacht getrokken van verschillende natuuronderzoekers, voornamelijk doordat de kalksteen bleek te bestaan uit resten van zeedieren, waarvan de schelpen en andere fossiele deelen duidelijk waren te herkennen. Omstreeks 1770 trof men, bij het uitwerken van steenen in een der gangen een zeer groot en merkwaardig overblijfsel van een voorwereldlijk dier aan, hetwelk door de goede zorgen van den Maastrichtschen militairen geneesheer Hoffmann uit den berg werd gehaald.

Vooral over deze vondst is toen in wetenschappelijke kringen heel wat stof opgewaaid en men wist aanvankelijk niet met wat voor soort dier men te doen had. Een belangrijk deel van het boek van F a u j a s handelt dan ook over de vraag of het de rest was van een soort krokodil of van een nog onbekende diersoort. Behalve de wetenschappelijke belangstelling en polemiek is er ook strijd geweest over het bezit van het kostbare stuk en daarover geeft F a u j a s in zijn boek eveneens een uitvoerig verhaal. Nadat Hoffmann het groote fossiel met veel moeite had te voorschijn gebracht, werd het bezit hem betwist door den eigenaar van den bovengrond, waaronder het was opgedolven, de kanunnik Godin, aan wie het tenslotte

Sluiten