Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van alle details over veel meer tekst- en afbeeldingsruimte zou moeten beschikken. Ik zal mij dus moeten beperken tot het uitstippelen der groote lijnen.

Uit de onderzoekingen uit wijdere omgeving is bekend geworden, dat ten Zuid-Oosten van Zuid-Limburg een opheffingsgebied aanwezig is.

De aanwezigheid van dit gebied blijkt uit de scheefstelling der verschillende formaties, die oorspronkelijk nagenoeg horizontaal werden afgezet. De oudere lagen duiken in ons gebied, afgezien van storingen, steeds in noordwestelijke richting dieper onder de oppervlakte, niettegenstaande dat ook oppervlakte in dezelfde richting helt.

Het culminatiegebied dezer opheffingszöne ligt in het gebied der omgeving van Coblenz.

Na elke opheffirigsperiode in het culminatiegebied, werd de helling van het voorland grooter. Een eventueel in dit voorland aanwezige zee werd naar het Noord-Westen teruggedrongen.

De stijging van het achterland was oorzaak van het ontstaan van spanningen in de aardkorst van het voorland.

Zoódra de spanningen een bepaald maximum bereikt hadden, werden zij opgeheven door schollenbewegingen langs de storingen, die het voorland doorsneden. Door deze schollenbewegingen ontstonden in het voorland slenken en horsten.

De spanningslossingen hadden niet steeds langs dezelfde storingen plaats. De schollen, die door de opheffing van het achterland het sterkst onder spanning gezet werden, kwamen langs de storingen het eerst in beweging.

Sommige schollen van het voorland konden aan den grooten druk meer weerstand bieden, waarschijnlijk tengevolge van het feit, dat in de nevenliggende gebieden zwakkere, reeds gebroken strooken aanwezig waren. Zij volgden de dalende bewegingen langs de storingen slechts in een vertraagd tempo.

Een dergelijke, meer stabiele strook ligt in ’t gebied, dat ongeveer aangegeven kan worden met een lijn over de hooggelegen gebieden tusschen Geul en Gulp, het plateau van Schimmert naar Elsloo.*)

*) Met de omschrijving „meer stabiel” wordt niet bedoeld, dat deze strook nimmer in beweging geweest is. Ik wil er alleen mee aanduiden, dat hij niet tegelijk met de Oostelijke dalingen langs de storingen in beweging gekomen is, en ook, dat de aanwezigheid van dit star gedeelte het in beweging komen der westelijke storingen veroorzaakt.

Sluiten