Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepaald schema, en dan alleen het schema, hetwelk een bepaald auteur voorstaat, plaats gehad kan hebben.

Uit ’t hier medegedeelde blijkt wel, dat over de vuursteenvorming nog lang geen overeenstemming be¬

staat. In ’t licht der feiten beschouwd kan men ’t volgende vaststellen.

In sommige krijtafdeelingen, o.a. in het Gulpensche Krijt (Cr4) komen gebroken vuursteenen voor. Hieruit mag men concludeeren, dat in oudere lagen reeds vuursteenen aanwezig waren.

Gerolde vuursteenen worden in ons Tertiair aangetroffen in het Palaeoceen, Onder-Oligoceen, Midden-Oligoceen, Boven-Oligoceen, Mioceen, Plioceen, benevens in Quartaire afzettingen, dus in alle post-cretaceische afzettingen. Volgens Umbgrove zijn onze Mioceene vuursteenen uit het Gulpensch Krijt afkomstig. In het Plioceen en Quartair komen vuursteenen voor met goed geconserveerde verkiezelde fossielen uit het Maastrichtsche Krijt. Uit welke lagen de vuursteenen uit de overige formaties afkomstig zijn, is nog niet onderzocht. Het is echter zeer onwaarschijnlijk, ook in verband met andere feiten, dat de vuursteenen uit het oudere Tertiair alleen aan het Gulpensch Krijt ontleend zullen zijn. En alleen in dat geval zou men kunnen denken aan een latere vuursteenvorming in het Maastrichtsche Krijt. De waargenomen feiten wijzen dus veel meer op een gelijktijdige of ongeveer gelijktijdige vorming met de kalksedimenten, dan op een latere vorming.

Ook het voorkomen van vuursteenen in lagen naast het voorkomen van verspreide vuursteenen in de kalksteenmassa wijst eerder op een gelijktijdige vorming dan op het tegendeel. Zeewater toch is zoowel arm aan kalk als aan kiezelzuur. Deze beide elementen, die door de rivieren ongeveer in een verhouding 3 : 1 aan de zeeën worden toegevoerd, worden door de dierlijke zee-organismen gebruikt voor den bouw van hunne pantsers en skeletten. Na hun dood zinken

Afb. 17. FORAMINIFEREN (ORBITOïDES FAUJASI) uit het Maastrichtsche tuf krijt.

Sluiten