Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de St. Pietersberg hiervoor menige, allergeschiktste gelegenheid biedt, valt het dan ook niet te verwonderen, dat de „gravers”, de fossores, hier vrij goed vertegenwoordigd zijn.

Men kan ze vinden in den grond, net zoo goed, waar deze bestaat uit verweerd krijt, als uit hier en daar blootliggend oligoceen zand of uit diluviaal grint. Braamstengels, vergaan hout en allerlei oude plantenstengels, merghoudende zoowel als holle, zijn voor de Craboniden ideale woningen, waarin ze haar één- of meercellige nesten bouwen, die ze stoffeeren met geparalyseerde, soms ook gedoode prooidieren. Deze prooidieren zijn van velerlei aard, bestaan uit rupsen, kevers, wantsen, vliegen, bladluizen, uit wat al niet!

Op den St. Pietersberg huizen o.m. Crabro quadricinctus L., C. lituratus Panz., Clytochrysus zonatus Panz., C. chrysostomus Lep., ™-uiUS vagus L-’ Thyreopus cribrarius L., Gorytes campestris Müller, G. mystaceus L., Mellinus arvensis L., Philanthus triangulum F., de Bijenwolf, Cerceris rybyensis L.

Van de zoo kleurige Goudwespen (Chrysididae) komen in ons land maar weinig soorten voor, wat niet te verwonderen valt. Goudwespen zijn echte zonnekinderen. In de zon laten ze haar rood en groen, blauw en purper gekleurde metaalglanzige lijven schitteren. Zon en warmte vinden zij op den St. Pietersberg meer dan waar ook in heel ons land. Zijn flanken worden door de zon gestoofd. Maar zij behoeven meer!

Zij kunnen niet zonder solitaire wespen, graafwespen en bijen, m wier cellen de Goudwespen haar eieren leggen, waaruit de nakomelingen komen, die gaan leven en groot worden ten koste van de larven der gastvrouwen.

Ondanks de armoede aan Goudwespen, kennen we hier te lande toch een twintigtal soorten. Verreweg de meeste hiervan zullen heel waarschijnlijk op den St. Pietersberg te vinden zijn.

Hedychrum nobile Scop. met haar groenen, vaak blauwen, soms beide kleuren dragenden kop en haar nu eens koperroode dan purperen achterlijf, alsmede de hierop veel gelijkende, maar grootere forscher gebouwde Chrysis ignita L. ziet men te St. Pieter veel.

Ook Chrysis viridula L. en Chr. succineta L., Omalus auratus L. en meer kleinere vormen zal men op den St. Pietersberg aantreffen, waar ze snoepen van het zoete van schermbloemen en honingdauw’ of zich tegoed doen aan de zonnewarmte op de rotswanden.

En terwijl gij zoo speurend kijkt naar wat er aan- en afvliegt, zult gij niet zelden schrikkend Uw hoofd ter zijde buigen, bang, dat

Sluiten