Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sprinkhanen en Krekels is op den St. Pietersberg weinig omgezien. Ik zelf heb er ook geen acht op geslagen, heb ze alleen maar hooren musiceeren, hooren zingen en sjirpen. In de Museumcollectie te Maastricht zag ik van de Kakkerlakken (Blattodea), Ectobia lividus Fab., sylvestris Poda en f. discrepans Adel. Als Blatta orientalis L. vroeger op den St. Pietersberg, hetzij op de hoeve Lichtenberg, hetzij op Slavante niet aanwezig mocht zijn geweest, dan is ’t zeker, dat deze, .vermoedelijk uit Azië naar Europa geëmigreerde zwartbruine, kwalijk riekende plaag, thans den weg heeft gevonden naar warme schuilplaatsen in de machinekamer der cementfabriek.

De kortsprietige, niet met een legboor toegeruste sprinkhanen, de zgn. Acridiodea zag ik vertegenwoordigd door Acrydium Kiefferi S., Oedipoda coerulescens L., Chothippus montanus Cl. en C. longicornis Latr., terwijl ik er van de 13, in ons land gevonden Locustidae, de Sabelsprinkhanen, ook eenige aantrof, gevangen op den St. Pietersberg, o.a. Meconema varium F., die wel een miniatuur-editie lijkt van de alom voorkomende groote folio-uitgave Phasgonura viridissima L.. Pholidoptera griseo-aptera d.G. is op den St. Pietersberg heelemaal niet zeldzaam.

De familie der Krekels (Gryllodea) is hier vertegenwoordigd door alle vier de soorten, welke uit ons land bekend zijn, nl. Huis(Gryllus domesticus L.), Veld- (G. campestris L.) en Boschkrekel (Nemobius sylvestris F.), alsmede door den Veenmol (Gryllotalpa vul garis Latr.). De laatste komt er echter niet dan sporadisch voor. Zijn oord van herkomst zal wel liggen in de naburige Belgische Kempen, waar Gryllotalpa vul garis Latr. een veel voorkomende verschijning is.

Wie belangstelt in Schietmotten of Kokerjuffers (Trichoptera) zal zoo op het eerste gezicht deze insecten niet licht gaan zoeken op den St. Pietersberg. Op één enkele uitzondering na toch behoeven al onze 150 soorten Trichoptera water, stroomend of stilstaand. Dit is een noodzakelijke levensvoorwaarde voor de larven.

Alleen Enoicyla pusilla B. maakt hierop een uitzondering. Deze soort legt haar eieren in mos, waaruit zich, laat in den herfst, de larven ontwikkelen, die in zelfgemaakte miniatuurkokertjes van zandkorrels huizen. Waar E. pusilla B. een hier te lande veel voorkomend insect is, zal het waarschijnlijk ook wel huizen in het bosch boven „De Roode Haan”.

Reeds Maurissen heeft van St. Pieter verschillende Trichoptera vermeld, o.a. Psychomyia pussila Latr., Ulmeria

Sluiten