Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar ook op vochtige plekken op de krijtheuvels is dit prachtige plantje in ons gewest te vinden. Op den Pietersberg is het echter vrij zeldzaam; vroeger groeide het op de westhelling tegenover het kasteel Canne; thans alleen nog bij Eben Eijmael en bij Hermalle. De vrij groote schaalvormige helderwitte bloemen hebben heel fijne doorschijnende overlangsche aderen in de kroonbladen. Behalve 5 meeldraden en een stamper vindt men aan de binnenzijde van ieder kroonblad aan den voet nog een schubje dat 13 roostervormig gerangschikte steeltjes draagt, ieder aan den top met een knopje. Deze knopjes bevatten geen stuifmeel en, hoewel ze glinsteren,, ook geen honig; deze zit alleen aan den binnenkant der groene schubjes en maar in geringe hoeveelheid. Het zijn dan ook meestal slechts kleine: vliegen die hierop azen. Zeer waarschijnlijk dienen die glinsterende knopjes alleen om insecten te lokken.

Als in den voormiddag de bloemen zich beginnen te openen, liggen de vier fluweelige stempels nog naar binnen gebogen tegen den stamper; de 5 echte meeldraden beginnen zich nu langzaam op te richten, niet allen tegelijk, maar één voor één, iedere dag één, totdat de helmknop boven de nog samengetrokken stempels staat; nu springt de helmknop met twee spleetjes ruggelings open en laat het stuifmeel los; dan wijkt de helmdraad langzaam weer naar achter terug totdat hij tusschen twee kroonblaadjes staat. Ieder meeldraad doet er ± 24 uur over, zoodat na ± 5 dagen de eindstand van alle vijf bereikt is; pas hierna draaien ook de stempels naar buiten, maar de stuifmeelkorrels kunnen ze nu niet meer vinden. Zelfbestuiving is bij het Parnaskruid dan ook hooge uitzondering. Na de bevruchting vallen de bloembladen en helmknoppen af, terwijl de helmdraden en kelkbladen blijven zitten; de zaaddoos springt aan den top met 4 klepjes open en laat vele korrelige gevleugelde zaden vallen. In het aantal kroonbladen, onechte en echte meeldraden, kan men veel afwijkingen aantreffen; ook in den vorm van deze organen.

Peperboompje (Daphne Mezereum). In April, of bij milde winters, al in Maart, verrast ons het Peperboompje met zacht purpere heerlijk geurende bloemen; daar in dezen tijd de meeste inheemsche loofhoutgewassen nog in rust verkeeren, komen die bloemen zoo fraai uit tegen de nog donkere kale takken. Ze zijn niet tegen strenge vorst, maar gelukkig wel tegen veel regen bestand, want in dit jaargetijde kan het ook onverwacht guur weer worden; daardoor kan er toch zelfbestuiving plaats hebben, als ook de insecten zich moeten schuil houden. In den zomer zitten de takken vol roode bessen (de wit-

Sluiten