Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen op de allergunstigste beschutte plekjes.

Pas veel later, toen het klimaat langzamerhand aanmerkelijk zachter was geworden, hebben die zich zoo sterk kunnen uitbreiden en aaneensluiten tot gemengde eikenbosschen, dat alle daartoe geschikte grond met dicht oerwoud werd bedekt.

De continentale xerophile vegetaties, die evenmin in bosch als op heidevelden of moerassen kunnen groeien, werden daarbij teruggedrongen tot relicten op de weinige droge boschvrije plekken, die over bleven, zooals steile hellingen, vooral van kalksteen. Vele van de meest typische vertegenwoordigers uit het Oosten zullen toen in deze Westelijke vlakke landen weer zijn uitgestorven.

Na de warmste periode in de tijd van het gemengde eikenoerwoud is het klimaat weer achteruitgegaan en geleidelijk geworden tot wat het tegenwoordig is.

Vermoedelijk is daarbij hier in Westelijk Europa één keer, of misschien zelfs wel meer dan eens, weer een drogere periode ingeschakeld geweest, waardoor het bosch werd gedwongen zich terug te trekken van de droogste randen van z’n territoir en daardoor groote strooken vrij te geven voor een hernieuwde uitbreiding van xerophiele vegetaties. Voor nieuwen toevoer van ver uit het Oosten was deze latere droogteperiode niet intensief genoeg, maar wel verklaren we daarmee een aanzienlijke vergrooting van de oude relictstations en het van daar uit koloniseeren van nieuw heroverd terrein, dat nu weer beschikbaar kwam.

In den historischen en ook reeds in praehistorischen tijd wordt het ingrijpen van den mensch een steeds belangrijkere factor voor de achteruitgang van het bosch en ook daarvan hebben deze Oostelijke planten geprofiteerd. In een cultuurland als het onze vinden ze zelfs hun beste standplaatsen op de kunstmatige hellingen van oude rivier-

KRIJTWAND NABIJ DE GRENS, MET VUURSTEENLAGEN.

Sluiten