Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAAR KAPITEIN HENNEQUIN EN ZUN MANNEN IN 1837 HUN NAMEN

OP DEN WAND SCHREVEN.

te komen met die van rechters uit het begin van de 19e eeuw (Lempens, Meller, Dr'oische, F er min; met den president, hoewel niet bij name genoemd, moet A. C. Membrede bedoeld zijn). Onder de rechters is een aantal beklaagden geteekend en de tegenoverliggende wand van de gang geeft een aantal levensgroote figuren te zien, waarvan de beteekenis niet verklaard is kunnen worden. Dit alles en het op blz. 60 weergegeven opschrift, zal wel in verband staan met iemand, die wegens een veroordeeling in den Franschen tijd in den berg gevlucht is en daar verblijf gehouden heeft.

Na de Fransche overheersching heeft het fort St. Piet er weinig beteekenis meer gehad. In 1817 is een van de uitspringende hoeken van het fort in de onderaardsche gangen gestort. Toch had men in 1837 nog belangstelling voor de wijze, waarop men het fort vanuit de gangen kon benaderen, waarvoor het rapport van de drie Nederlandsche officieren, wier namen we nog op meerdere plaatsen op de wanden van het noordelijk stelsel aantreffen1), het bewijs levert.2)

1) zie ook blz. 72 en 388. 2) buiten de hier en elders in dit boek aangehaalde literatuur, noem ik nog: Pierre }. Debouxhtay, „Histoire de la Seigneurie de Nivelle-sur-Meuse et de 1’Ancienne Paroisse de Lixhe, Liége, Imprimerie Walthéry, 1935; Baron von Geusau, „Korte Geschiedenis der Kloosters te Maastricht”, Publ. de la Soc. Hist. et Arch. dans le Duché de Limbourg, Tomé XXXI, 1894.

Sluiten