Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DANSENDE VROUWEN VAN DEN ST. PIETERSBERG.

Op een mooien zomeravond keerde een man uit het naburige dorp Canne naar zijn woning terug, welke zich in de nabijheid van den St. Pietersberg bevond.

De zon goot haar laatste stralen over het berglandschap, dat in een rood-paarse gloed werd gehuld en daarin met zijn beboschte hellingen, holle wegen en geheimzinnige grotingangen wondervol aandeed.

Langzamerhand viel de schemering en begon het zilverachtige licht van de maan te schijnen, dat de St. Pietersberg en de Jekervallei in een droom- en tooverlandschap metamorphoseerde.

Toen de man de berg genaderd was, werd zijn aandacht opeens getrokken door een vreemd gedruisch. Onwillekeurig dacht hij aan hetgeen zijn ouders hem vroeger op lange winteravonden hadden verteld, toen hij als kind luisterde naar hun verhalen over heksen en tooverkollen, woud- en berggeesten, weerwolven, duivels en spoken. Een rilling beving hem en eensklaps werd hij meegesleurd in een ronde kring van dansende vrouwen.

Als een wervelwind dansten zij en in zijn schrik dacht hij telkens te zullen bezwijken. Toen de vrouwen eindelijk met hun wilden dans ophielden, boden zij hem een met wijn gevulden beker aan, terwijl ze hem uitnoodigden om op haar gezondheid te drinken.

Hoewel de goede man nog half versuft was, herinnerde hij zich toch, dat de „witte juffers”, zooals men zulke vrouwen gewoonlijk noemde in de verhalen, den argeloozen bezoekers somtijds zilveren voorwerpen aanboden, teneinde hen geheel in hun macht te krijgen. Hij besloot dus op zijn hoede te zijn en, terwijl hij zich tot de vrouwen wendde, hief hij den beker omhoog en sprak: „God zegene U!”

Het leek wel of hij een of andere tooverformule had uitgesproken inplaats van een heilwensch, want nauwelijks waren de woorden hem over de lippen gekomen of de vrouwen waren verdwenen; hij bevond zich weer geheel alleen in het veld onder langs de berghelling. De zilveren beker hield hij nog steeds in de hand.

Bij zijn thuiskomst vroeg zijn vrouw hem waar hij zoo lang gebleven was. Nog geheel ontdaan van de doorgestane emotie, vertelde hij haar de zonderlinge ontmoeting. Hij toonde ook aan de verbijsterde vrouw de beker als bewijs, dat er op den St. Pietersberg nog immer „witte juffers” rondspookten.

Sluiten