Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedachten te brengen, maar zijn pogingen hadden steeds gefaald. Tenslotte had de „kasteelheks”, zooals de dorpelingen haar noemden, den priester beleefd maar dringend verzocht om niet meer terug te komen, „daar ze aan hel noch duivel geloofde en het haar totaal onverschillig liet, wat er later met haar ziel gebeurde”.

’t Was een heerlijke lentedag.

In de vallei sluimerde het lieflijke dorpje Canne temidden van het weelderig groen der golvende heuvels. De uit mergelblokken gebouwde huizen staken schilderachtig af tegen den groenen achtergrond. De diepe holle wegen, geheimzinnige grotingangen, ruischende populieren en de beboschte hellingen gaven geheel de sfeer van het mooie en onvergelijkelijke Zuid-Limburgsche land weer. In boomen en struiken zongen de vogels hun schoonste liederen.

Van den dorpstoren klonk het melodieuse klokgebeier ten teeken dat de processie uittrok. Het was een indrukwekkend schouwspel: het koper der vooroploopende fanfare, schitterend in het zonnelicht, de schutterij in groot tenue, gevolgd door de witgekleede bruidjes en de vereenigingen met hun vendels; de flikkering der priesterlijke gewaden rondom het baldakijn met het Allerheiligste, de gewijde muziek en het gezang der biddende geloovigen, dit alles wekte ontroering.

Eerbiedig knielde de devote menigte wanneer het Allerheiligste voorbijkwam. Overal, waar de stoet langs kwam, waren de huizen met guirlandes versierd en prijkten in deuren en vensternissen het crucifix met heilige beelden, omringd door bloemen en flikkerende kaarsen.

De door het bloeiende land en dwars door de velden trekkende processie zou thans onwillekeurig hebben doen denken aan Cesar Frank’s „Dieu s’avance a travers les champs”.

Terwijl de biddende schare van vrouwen en mannen haar weg vervolgde, verscheen eensklaps de freule met haar koets aan een kruispunt van den weg, waar juist de processie voorbijtrok. Opeens leidde zij de paarden dwars door de menigte, welke verschrikt uiteenstoof; opnieuw stuurde ze haar karos temidden der geloovigen. Vrouwen en kinderen gilden, mannen uitten bedreigingen en wilden de paarden grijpen. Eensklaps werd het donker, de lucht werd loodgrijs en er brak een verschrikkelijk noodweer los. Verschrikt vluchtte de freule met haar koets in de grot; plotseling weerklonk een ratelende donderslag en op hetzelfde oogenblik werd de grond als opengespleten en verdwenen het kasteel, de koets met de freule, gehuld in vlammen, in den afgrond. Zoo strafte God het hartelooze schepsel.

Sluiten