Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23- BOURRON. Rapp. io Nov. 1801 (Rapp. 1933, blz. 94, No. 160 IV 39; Rapp. 1938). S.T. Mémoire sur la Place de Maëstricht.

Korte vermelding van de gangen onder het fort, hun aard en die van het gesteente.

24. BODSON NOIREFONTAINE. Rapp. 20 Juli 1808 (Rapp. 1933, blz. 78, No. 108

IV 29). S.T. en or. in G.V. Mémoire jour joindre au projet d’amélioration du fort St. Pierre.

Dit plan om het fort met twee lunetten uit te breiden, is hetgene, waarvan de omtrekken in dunne lijnen zijn aangegeven in de plattegrondteekening der onderaardsche gangen, schaal 1 : 1000, welke uit het Rijksarchief te Maastricht bekend was. Over de gangen wordt gezegd, dat het gevaar, dat de vijand de pilaren ondergronds zou laten springen niet zoo groot is: „ie. lorsque les cavernes forment un tel dédale qu’il serait impossible a 1’assiégeant de jamais connaitre sous quel point il se trouverait; 2e. paree qu’on a la preuve que ce moyen qui a été tenté par les frangais lors du dernier siège, n’a produit aucun résultat satisfaisant; les pilliers sont trop multipliés et parvint on même a les détruire il est a présumer que le rocher au dessous se soutiendrait de lui même”. Hier worden dus de ervaringen der Fransche militairen met het gesteente duidelijk tot uitdrukking gebracht.

25. BODSON NOIREFONTAINE. Rapp. 1813 (Rapp. 1933, blz. 85, No. 127 IV 33 en

V 26). S.T. en G.V. Mcmoire historique de situation et de défense de la ville de Maëstricht et dépendances.

In dit zeer uitvoerige, eigenhandig door Bodson geschreven boek wordt over de gangen gezegd: „L’immense caverne, qui règne sous la montagne, offrait il y a quelques années un moyen d’éventer toutes les mines de 1’assiégé et de bouleverser le fort, mais 1’écroulement qui a eu lieu en 1809 sur a peu prés toute la largeur de la caverne a environ 180 mètres au dela de 1’avant chemin couvert et qui se sont prolongés de 470 mètres en avant priserait actuellement 1’assiégéant de cette ressource contre 1’assiégé”. En verderop: „Is est vrai que récroulement dont on vient de parler a occasionné un affaisement dans la surface du terrain qui auraient donné lieu a quelques ouverts favorables a 1’assiégéant mais auquel on remédirait facilement”.

26. LE BLANG. Rapp. 1843 (Rapp. 1933, blz. 90, No. 152 IV 37 en IV 38). S.T. Etat

des Ueux en 1P4.2.

Betreffende de gangen wordt bij deze verkenning een teekening gevoegd, waarop een plattegrond der gangen tot bij Slavante is weergegeven; dit is een verkleinde copie van de teekening van 1748, welke bij het rapport van de Verville was gevoegd (zie onder No. 3). De plattegrond is minder nauwkeurig dan die van 1796, maar interessant, omdat met een roode lijn de grens van het instortingsgebied is aangègeven. „Tracé des affaissements de 1809”. In het rapport is daarover geschreven: „En 1809 un affaisement, dont on voit encore les tracés sur le terrain a 300 mètres du saillant du fort et a 470 mètres au dela sur presque toute la largeur de la caverne, ne permettrait plus d’y (n.1. het fort) arriver de loin”.

27. DE BRUYN, BOUSQUET, HENNEOUIN. Rapp. 16 Febr. 1837 (Rapp. 1938). G.V. Verslag omtrent het onderzoek der onderaardsche gangen van den St. Pietersberg nabij Maastricht.

De schrijvers hadden opdracht om na te gaan of er nog meerdere ingangen naar de gangen waren dan die ten oosten van het fort, zoo ja, welke de nadeelen voor de veiligheid van het fort waren en welke maatregelen daartegen genomen moesten worden. Aanvankelijk gaan zij, vergezeld van den landbouwer Ceulen tot aan de deur onder aan de wenteltrap van ’t fort. Later gaan zij zonder geleide vanuit ’t fort in de gangen en houden daarin steeds rechts, waarbij zij ook door de gaten over de instortingen kruipen. Na herhaalde moeizame tochten komen zij langs den eenen ingang weer op ’t punt van uitgang terug. „Zij kwamen daarbij onophoudelijk op zoodanige gedeelten, welke niet dan met de grootste behoedzaamheid, ja zelfs niet zonder levensgevaar bereikbaar waren, naardien de instortingen zulke buitengewoon groote ophoopingen van puin en mergelklompen hadden veroorzaakt, dat er slechts een geringe opening tusschen deze en het gehemelte der gallerijen was overgebleven, welke men niet anders dan op handen en voeten kruipende over kon komen, waarbij de minste aanraking aan de wanden of aan het dreigende gehemelte des bergs eene instorting kon teweegbrengen of in één woord de toestand van den berg is inwendig op de bezochte plaatsen zoodanig, dat alleen het gevoel van pligt de ondergeteekenden konde noopen dezen uiterst gevaarlijken togt verder voort te zetten”.

Sluiten