Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bronstige belijdenis van rouw en zelfvernietiging gevallen. Zij stond wezenloos rondom zich te kijken en zag den soldaat Johan die haar aansprak.

— Ga niet verder, zei hij, hier heeft de ziekte niets gelaten dan honger en waanzin. Bij mij, daarboven op de heide is brood, daar is werk, er is een koe en een geit en land dat wacht op den oogst. Hoe heet gij?

Zij begreep hem en zei: Grete.

Beiden gingen zij door zand en heide naar de open plek in de bosschen. Door de lauwe lucht van de boomen drong de vettige koelte van de meerschen en de rivier.

— Daar woon ik, zei hij.

Zij zag de hut en ademde diep. De menschen die met haar van zoo ver waren gekomen, samengeraapt naar de wisselvalligheid van de dorpen waardoor zij gegaan waren, verloren in andere dorpen, wisselend eiken dag, met allen dezelfde grauwe gezichten en oogen waarin de waanzin gloeide van hun boetetocht, waren nu verdwenen voor altijd. De avond was heelemaal gekomen. Hier stond een man, die een hut had en een koe.

Zij keek naar hem op. Hij ook ademde hoorbaar.

Sluiten