Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Wij zullen moeten vergrooten. Wij hebben nu een schuur noodig.

Maar Johan antwoordde niet, want hij dacht aan den vreemdeling.

De Herfst en dan de Winter. De eerste dien deze beiden samen doorleefden. Dan is de stilte daar zwaar en schijnt één te zijn met het land. De bosschen vangen het leven op in hun duistere onbeweeglijkheid en de lucht staat roerloos en grijs tot waar zij een vale verte wordt met de meerschen. In de hut is het donker, vele uren waarop men niet slaapt; dan geeft het vuur licht terwijl de rook in zijn weg naar buiten met grijze slierten de oogen prikkelt. En in den nacht staan de schaduwen plechtig naast elkaar en de soldaat Johan voelt de levende, ademende warmte van zijn vrouw tegen zich onder de schrale dekens.

De verlaten akker ligt omgewoeld en hard, daar staat het leven stil, zou het schijnen. En in de meerschen beneden is het water van den herfstkwel en van de regens buiten de slooten gewassen en overwint de weide. En heel het dorp riekt naar den bras van het vee. Nu staat de tijd stil.

Maar ook deze tijd was goed voor de beide eenzame menschen.

Sluiten