Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weer was het dorp daar; alleen in de stallen was reeds leven. Hij snoof den geur op van de stallen.

Maar toen hij op de open plek kwam waar hij woonde, tegen den rand van het bosch, bleef hij staan en keek star naar de plaats waar zijn hut stond; hij liep door het natte kruid en zag dat alles wat hij gebouwd had neergehaald was. En midden dit alles lag een doode hond.

Hij weende niet, de soldaat Johan, maar hij werd bleek en zijn kneukels werden wit rond den stok dien hij vastgreep. Hij begreep het niet; hij boog over het doode dier. Het lag met gapenden kop en bloed was aan zijn pooten. Toen hurkte de soldaat Johan naast den hond neer en zat een wijl met groot verdriet: „Vriend," zei hij, „brave kameraad."En hij zocht rond naar de koe en de geit en de vrouw.

Hij keek naar de bosschen en verder in de diepte naar de weiden. Overal was het stil en klaar. Hij ging het bosch in. „Nu ben ik weer alleen," dacht hij. „Maar ze krijgen mij niet weg."

Toen hoorde hij zijn naam roepen; dat was zijn vrouw. In een open plek stond zij, de geit was bij haar en op mos en dennenaalden lag wat armzalig huisraad.

Sluiten