Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De waard liet het zwijgzame volk alleen.

— Zijt gij soldaat ? vroeg de man aan Johan.

— Geweest, zei deze. Ik ben een boer.

— Ook een slechte stiel, zei de man, ik heb vele boeren gezien die even arm waren als ik, en om zoo arm te zijn als een vlaamsche wever moet het er spannen.

— Wij leven toch, zei de soldaat Johan.

— Dat is veel, antwoordde de man.

Zij stonden op en Johan zag met vreugde de klare warmte over de velden en de boomen die in hun schaduw stonden langs den weg.

— Daar is nog wat anders dan eten, sprak hij, en wees met breed gebaar naar zon en akkers en lucht, en hij wierp het hoofd achterover en het was hem alsof hij dit alles inademde en deelachtig werd van het leven van deze aarde.

— Voor mij bestaat er anders niets, zei de man somber.

En hij spande zich voor het wagentje, samen met de vrouw; twee krachtelooze trekdieren die niet weten in welken stal zij zullen belanden.

— Zoo gij denzelfden weg hebt als ik, span de vrouw dan maar uit, zei de soldaat Johan.

De vrouw keek hem dankbaar en sprakeloos aan en ruimde de plaats.

Sluiten