Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EENER BESTUURSHERVORMING IN INDIË (1910-1913)

Bij de openbare behandeling in de Eerste Kamer, welke evenals Openbare behanaan de overzijde van het Binnenhof het geval was geweest, aan die deling der begrooting van Nederlandsch-Indië voor het dienstjaar 1913 Minister van vastgekoppeld was, bracht op 30 December 1912 de Minister De KolomenWaal Malefijt als onderdeel zijner begrootingsrede in herinnering i), hoe door de leden der Kamer de Heeren Mr. L. W. C. van den Berg en Mr. C. Th. van Deventer bij de bespreking van het vraagstuk der rassenpolitiek mede reeds was aangeroerd de voorbereiding der organisatie van het Binnenlandsch Bestuur in Indië. Geen van beiden had zich een groot voorstander getoond van de denkbeelden der Regeering. Genoemde Bewindsman zou op die aangelegenheid niet verder ingaan, evenals hij in de Tweede Kamer dit niet had gedaan, om de eenvoudige reden, dat de beteekenis van het wetsontwerp niet verder reikte dan tot zending naar Indië van een Regeeringscommissaris, tot voorbereiding der zaak.

Eén opmerking evenwel moest spreker zich veroorloven. De Heer Van Deventer had gezegd, dat hij het betreurde, dat de ontwerper van die plannen, die geen genade konden vinden in de in de oogen der Tweede Kamer, belast werd met het maken van andere plannen.

Tegen deze voorstelling van zaken kwam de Heer De Waal Malefijt met beslistheid in verzet. De Tweede Kamer — merkte hij op — had noch gezegd, dat zij het met de ontwerpen eens was,

noch dat zij het er niet mede eens was. Zij had de zaak eenvoudig in het midden gelaten. Spreker herhaalde ook hier, dat uitdrukkelijk was verklaard, dat het in het voornemen der Regeering lag,

aan den Regeeringscommissaris op te dragen een wetsontwerp samen te stellen, berustend op de beginselen, in de Memorie van Toelichting uiteengezet. Daarmede werd niet gezegd, dat de Regeeringscommissaris gebonden was aan hetgeen in de Memorie van Toelichting en die van Antwoord was verklaard. Hij zou, daar zijnde, zelf moeten zien tot welke resultaten het nader overleg met de Indische Regeering zou leiden.

Spreker moest er echter tegen opkomen, dat men het thans zoo voorstelde, alsof bepaald was, dat er moest komen een ander wetsontwerp, uitgaande van andere beginselen dan door de Regeering in den aanvang in uitzicht gesteld.

i) Handelingen Eerste Kamer 1912/1913, blz. 186.

Sluiten