Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KABINETSWISSELING VAN HET JAAR 1918

plaatse werd door mij aangeteekend, dat die instelling bedoeld was als inleiding tot eene algemeene reorganisatie van het binnenlandsch bestuur.

Het bij Koninklijke Boodschap van 12 Juni 1920 bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakte wetsontwerp tot wijziging en verhooging van de voormelde begrooting behelsde in dit verband onder Afdeeling XI (onderafdeeling 472A) een memoriepost tot afzondering van gelden voor vaste uitkeering aan in te stellen regentschapsraden.

Zooals in de Memorie van Toelichting (blz. 61) vermelding vond, had de Volksraad in zijne vergadering van 7 Januari zich zonder hoofdelijke stemming met dien maatregel vereenigd. De bedoeling zat daarbij voor, een begin te maken met de uitvoering in één, met name genoemd, regentschap van elk gewest in de Gouvernementslanden van Java en Madoera. Bij de toelichting van het wetsontwerp tot eene algemeene hervorming van het bestuurswezen, dat ik mij voorstelde eerlang bij de Staten-Generaal voor te brengen, zou, naar ik zeide, meer uitvoerig worden uiteengezet, welke de positie en de werkkring van de op den voet der decentralisatiewet te vormen regentschapsraden zouden zijn. Waar intusschen de wenschelijkheid der instelling in beginsel wel geen tegenspraak zou ontmoeten en het voorstel enkel beoogde de zaak zonder verwijl op gang te brengen, meende ik dat voor het oogenblik met een beknopte uiteenzetting der bedoeling mocht worden volstaan.

Overeenkomstig deze zienswijze volgde mitsdien een algemeene schets van het staatsrechtelijk karakter, de samenstelling, de wijze van verkiezing en benoeming, de inrichting en den werkkring, alsmede van de geldelijke positie als anderszins van het instituut, zooals dit voorshands in Indië was gedacht.

Aangezien een en ander in hoofdzaak aan mijne denkbeelden beantwoordde, behoudens dat over verschillende bijzonderheden nog overleg met den Gouverneur-Generaal werd vereischt, was de onderwerpelijke memoriepost bij het suppletoir begrootingsontwerp uitgetrokken.

Het verslag der Kamer gaf blijk van verschillende bezwaren, inzonderheid tegen de wijze, waarop de Regeering — in eene suppletoire begrooting — de instelling der Regentschapsraden aan haar oordeel onderworpen had. De leden, welke die bedenkingen in het midden brachten, gaven als hunne meening te kennen, dat

Sluiten