Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVERLEG MET DEN INMIDDELS IN INDIË INGESTELDEN

de bestuurseenheid voor de bevolking behoorde uit te maken.

Die kenmerken in het oog houdend, lag het voor de hand, dat — afgescheiden van de stadsgemeenten, die in het staatkundig verband een bijzondere plaats innamen — op Java en Madoera slechts twee instellingen waren aan te wijzen, die aan de voorschreven eischen voldeden: het regentschap en de desa, beide ressorten van zoodanigen omvang, dat zij voor de inheemsche bevolking waren te overzien en hunne belangen voor de Inlandsche bestuursleden te begrijpen waren; beide wortelend in de volkstraditie en voor den Inlander welbekende bestuurseenheden.

Was de desa te beschouwen als inheemsch, nagenoeg uitsluitend autonoom, orgaan, bij de beschouwing van het regentschapsbestuur stond men al aanstonds voor belangrijke verscheidenheid in de maatschappelijke samenstelling en voor de omstandigheid, dat het regentschap in veel ruimere mate medewerking zou moeten verleenen tot uitvoering van verordeningen, door hoogere rechtsgemeenschappen vastgesteld en alle ingezetenen zonder onderscheid van landaard betreffende.

In het grondgebied der provincie zou in meerdere gevallen als afzonderlijke rechtsgemeenschap begrepen zijn het gebied van reeds bestaande stadsgemeenten, welke tengevolge van verschillende omstandigheden niet meer te beschouwen waren als deelen van de Inlandsche samenleving in strikten zin. Voor zoover deze onder de werking van de Decentralisatiewet van 1903 getoond hadden inderdaad recht tot zelfstandig bestaan te bezitten en zij niet voornamelijk slechts als centrum van het regentschap eene bijzondere plaats innamen, bestond er — naar in de Memorie van Toelichting werd verklaard — geen aanleiding, om te haren aanzien wijziging in den bestaanden rechtstoestand te brengen.

In de provinciën buiten Java en Madoera zou met een minder stelselmatige aanwijzing van gebiedsdeelen tot afzonderlijke rechtsgemeenschappen genoegen zijn te nemen. Slechts in enkele streken bestonden territoriale gemeenschappen, welke waren aan te merken als volkshuishoudingen, nu eens de Javaansche desa, dan het regentschap naderend. Zoo de „nagari" ter Westkust van Sumatra, de „marga" in Zuid Sumatra, de „koeria" in Tapanoeli, de landstreek Minahassa in Noord-Celebes en andere.

Waar vooralsnog volksinstituten van dien aard ontbraken, zou voor de vorming van den onmisbaren schakel tusschen het be-

Sluiten