Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE TWEEDE KAMER

tralisatie, de overdracht van een stuk regeering niet op de autonome lichamen, doch op het gewestelijk gezag. Hiertegen wilde spreker zijn stem verheffen. Hij kon niet medewerken aan vergrooting van den invloed der bureaucratie, te minder waar deze zich terugtrok in verder van de centrale regeering gelegen bureau's.

In de „gouvernementen" was de Gouverneur heer en meester en behoefde hij zich tegenover de burgerij niet te verantwoorden maar evenmin tegenover den Volksraad, want er zou gezegd worden(P), dat de Gouverneur handelde ter verzorging van het „gewestelijk huishouden" !). En in de „Provinciën" zou evenmin iets terechtkomen van de verantwoordelijkheid; daar zou de Gouverneur zich verschuilen achter zijne instructie en er op wijzen, dat hij handelde als orgaan van het centraal gezag 2).

Te recht — volgens spreker — verklaarden de hoogleeraren Carpentier Alting, Kleintjes en Van Vollenhoven, dat deze hervorming slechts een ingewikkelde reorganisatie van bestuurskantoren was en de verwezenlijking van de voorstellen der Herzieningscommissie zou tegenwerken.

Vast stond voor spreker, dat als de wet werd aangenomen, de ambtelijke decentralisatie zou komen. Niet, dat ook de andere, de politieke decentralisatie, zou komen. Dit was mogeüjk, maar kon ook misschien mislukken.

Sprekers conclusie was deze, dat het aanbeveling verdiende, eerst de grondslagen in de Grondwet vast te stellen en dan de organieke wet te herzien. Hij geloofde dat in Indië de „bevolking" daar meer voor had gevoeld en de Minister daardoor getoond had zijn tijd beter te begrijpen dan nu hij de duffe bureau's van ambtenaren nog met tientallen ging uitbreiden( ?). Door den Heer Van Beresteyn werd mitsdien een motie voorgesteld, luidens welke de Kamer, van oordeel, dat de beraadslagingen over de ontwerpen tot herziening der Grondwet vooraf behoorde te gaan aan die over het wetsontwerp tot nadere wijziging van het Reglement op het beleid der Regeering van Nederlandsch-Indië, besloot de beraadslaging over dit wetsontwerp te schorsen en over te gaan tot de orde van den dag.

Blijkbaar was het spreker ontgaan, dat in het voorgedragen stelsel het begrip: „gewestelijk huishouden" uitsluitend verband hield met den provincialen status.

2) Wat de „instructie" van den Gouverneur te maken had met diens verantwoordelijkheid als orgaan der provincie, was wederom niet geheel duidelijk.

Sluiten