Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

den worden als „rois fainéants". Tot die onderstelling was men blijkbaar gekomen, doordat in de Memorie van Toelichting het denkbeeld naar voren was gebracht, om aan de Regenten zooveel mogelijk ter zijde te stellen een bekwaam Patih. Tegen die gedachte kwam de Heer Albarda op, vermoedelijk voorbijziend, dat een Patih ter regentschapshoofdplaats ook op het oogenblik reeds algemeen bestond. Vroeger waren die ambtenaren vrij geweest van andere functiën; later werd hun betrekking gecombineerd met het ambt van districtshoofd ter hoofdplaats van het regentschap, een maatregel, die over het geheel weinig had voldaan. Voorgesteld was nu, op die combinatie terug te komen, waar de Regent in groote mate zich zou moeten geven aan zijne taak voor den regentschapsraad, in welk college hij zooveel mogelijk persoonlijk de leiding zou moeten voeren. Vooral in de eerste jaren zou dit wellicht moeilijkheden opleveren i) en daarom te meer zou behoefte bestaan, als Patih naast den Regent, aan een ervaren Inlandsch ambtenaar, die tevens in de vervulling van de nieuwe taak van den Regent dezen zou kunnen bijstaan en voor zooveel noodig zou kunnen vervangen. In het minst niet evenwel werd bedoeld en zou bedoeld mogen worden, verslapping te brengen in de eischen voor het regentsambt.

„Ik moest onmiddellijk hieraan toevoegen" — bracht ik in het midden — „dat men voorzichtig moet zijn met in het algemeen op minder waardeerende wijze zich uit te spreken ten aanzien van een zoo verdienstelijke klasse van Inlandsche bestuurshoofden als wij op Java in onze Regenten hebben. Ik heb, mag ik wel zeggen, de meesten van de destijds aanwezige Regenten leeren kennen en ik kan niet anders verklaren, dan dat ik daaronder heb aangetroffen

') De ervaring, sinds de toepassing der „Regentschapsordonnantie" van 1924 opgedaan, heeft die verwachting al te zeer bevestigd. Zooals — de omstandigheden in aanmerking genomen — te duchten viel, is het inzonderheid het geldelijk beheer van het autonoom regentschap, dat een der zwakke punten uitmaakt. Een zeer nauwlettend toezicht, uitgaande in de eerste plaats van het Provinciaal Bestuur en van den Resident, zal in dat opzicht niet mogen ontbreken. Mogelijkheid van eigenmachtige beschikking over de geldmiddelen van het regentschap door den Voorzitter van den Regentschapsraad of leden van dien Raad zij voorts door doeltreffende maatregelen uitgesloten.

Rekening houdend met de positie der betrokken Inlandsche gezaghebbenden en de eigenaardige verhoudingen in hunne naaste omgeving, bestaat ook in hun eigen belang dringend behoefte aan zoodanige voorzieningen, gepaard gaande, waar noodig, met behoorlijke tegemoetkoming van Landswege in de kosten voor representatieve doeleinden, voortvloeiend uit den zeer bijzonderen aard van het door hen bekleede ambt.

Sluiten