Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

deze gemeenschap juist het tegengestelde was van degene, die er wezen moest. Wanneer men nu van de zijde zijner partij vóór de amendementen stemde en natuurlijk ook vóór het sub-amendement van den Heer Albarda, dan deed men dit omdat men wist, dat de ontwikkeling, ondanks het streven van den Heer Dresselhuys, voortgang had. Men zou evenwel tegen de gansche wet stemmen, ook indien de amendementen werden aangenomen.

Minister van Bij mijne beantwoording der sprekers i) verklaarde ik de rede van den Heer Dresselhuys met groote belangstelling te hebben vernomen. In de eerste plaats diens betuiging van waardeering der voorstellen in het algemeen was mij in hooge mate aangenaam. Mocht ik verder uit zijne rede een belangrijk punt releveeren dan was het wel dit, dat die geachte afgevaardigde zoo terecht er den nadruk op had gelegd, dat de uitvoering van het wetsontwerp ten nauwste rekening zou moeten houden met de plaatselijke omstandigheden, die zelfs voor eenzelfde eiland, ook Java, nog in sterke mate konden uiteenloopen. Zeer zeker zou men in deze geen schabionen werk mogen leveren; wel degelijk moest nauwkeurig te rade worden gegaan met de eigenaardige verhoudingen en toestanden, die zich in elk gewest en elke streek voordoen. Vandaar dus ook, dat regeling van de détails in het moederland niet alleen groot gevaar zou opleveren, maar feitelijk zelfs niet mogelijk zou wezen.

Dat het wetsontwerp de uitwerking geheel buiten beschouwing liet, was intusschen minder juist. Terloops vestigde ik de aandacht op artikel 68, waarbij de regelingen, die ten aanzien van de uitvoering der Decentralisatiewet van 1903 in het Regeeringsreglement waren neergelegd, mede toepasselijk zouden worden verklaard, voor zooveel niet anders was bepaald, met betrekking tot de bestuurslichamen op den grondslag der nieuwe wetgeving. Verder was daarbij niet gegaan en moest men ook in dat Reglement niet gaan.

Komende thans tot het eerste amendement van de Heeren Dresselhuys en De Muralt, merkte ik op, dat de eerstgenoemde terecht had doen uitkomen, dat de bedenkingen, die in den Volksraad ter zake van de in dat amendement bedoelde verplichte raadpleging door den Regeeringsgemachtigde waren geopperd, door

') Handelingen a. v., blz. 67-68.

Sluiten