Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

overneming, in de Tweede Kamer, van het daartoe strekkende amendement-Dresselhuys, met het gevolg dat ook in het ontwerp zelf dat beginsel thans was uitgedrukt.

Wat aanging de opmerking, dat tal van personen, die het wèl meenden met Indië, door dit wetsontwerp voor het hoofd gestooten zouden worden, waarbij verwezen was naar hetgeen te dien aanzien was aangeteekend op blz. 1 en 2 der brochure: „Naar aanleiding van het ontwerp-bestuurshervorming voor Nederlandsch-Indië", meende ik er op te moeten wijzen, dat het wel eene onmogelijkheid zou zijn, omtrent een onderwerp van zoo wijde strekking eene wetsvoordracht te ontwerpen, die alle personen, die het wèl meenen met Indië, zou bevredigen. Naast het wèl meenen met Indië kwam het bovendien aan op het wèl kennen van de staatsrechtelijke en practische bijzonderheden van het vraagstuk zelf. Ook richtte, zooals vele andere leden hadden aangevoerd, de bestrijding zich minder tegen hetgeen met het voorstel werd beoogd, dan wel tegen hetgeen men, in strijd met diens eigen uitlatingen, den voorsteller toeschreef. Aldus had in vele opzichten in de pers zich eene oppositie ontwikkeld, die feitelijk langs de zaak heenging, maar niettemin bij niet-ingewijden in het vraagstuk den indruk moest verwekken van eene deugdelijke weerlegging der Regeeringsvoorstellen.

Met de zienswijze, dat het beter ware geweest, het wetsontwerp achterwege te laten en alleen over te gaan tot spoedige invoering van regentschaps- en desaraden, om na de totstandkoming van de Grondwetswijziging een verandering van de Staatsinrichting van Nederlandsch-Indië aanhangig te maken, verklaarde ik niet te kunnen instemmen. Invoering van dergelijke raden, zonder vorming van voor een juiste werking van het geheele nieuwe bestuursorganisme onmisbare provinciën, op den voet als in het ontwerp aangegeven, zou de hervorming al dadehjk in ernstige mate in gevaar hebben gebracht. Een krachtig georganiseerd provinciaal verband — terecht was van andere zijden dit standpunt ingenomen — was onmisbaar ter verzekering van den steun, dien vooral de Regentschapsraden in de ontwikkeling van hun autonoom bestaan zouden noodig hebben.

In het Voorloopig Verslag hadden de vorenbedoelde leden, welke hunne oogen niet sloten voor het goede, dat de Minister met het ontwerp beoogde, blijk gegeven van hun vrees, dat aanneming

Sluiten