Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN EN MET DE EERSTE KAMER

bezwaar genoemd. Ook het denkbeeld, om al dadelijk over te gaan tot splitsing en tot aanwijzing van de onderwerpen, welke bij wet, welke bij Koninklijk besluit en welke bij koloniale ordonnantie zouden worden geregeld, zou niet raadzaam zijn. „De ondergeteekende" — verklaarde ik — „sluit zich op dit punt aan bij de zienswijze van de leden, die gewezen hebben op het eigenaardig karakter van het Regeeringsreglement, dat voor Indië eenigermate de plaats van de Grondwet vervult en waarin de grondslagen zoo breed behooren te worden gelegd, dat niet telkens behoeft te worden uitgebouwd".

„Afgezien nog" — deed ik daarop volgen — „van de wenschelijkheid van overeenstemming met het ook elders in het Regeeringsreglement gevolgde stelsel van omschrijving, welke overweop zichzelf reeds voor gebruik van den term: „„algemeene verordening" pleit, sluit de ondergeteekende zich aan bij het betoog, dat mede op dit gebied groote buigzaamheid noodig is, ook met het oog op de mogelijkheid, dat veel, wat men aanvankelijk bij algemeenen maatregel van bestuur wil regelen, later waarschijnlijk bij voorkeur aan den kolonialen wetgever zal worden overgelaten, overeenkomstig het in de voorstellen tot herziening van de Grondwet voorgestaan beginsel, om de wetgeving zooveel mogelijk toe te vertrouwen aan in de koloniën zelve zetelende organen". Ik wees er op, dat, zooals in dit verband tevens was opgemerkt, artikel 61 der Grondwet bovendien te allen tijde de mogelijkheid opende, welke bij de herzieningsvoorstellen (artikel 62, al. 2) gehandhaafd werd, om eenig onderwerp bij de wet te regelen zoodra de behoefte daaraan mocht blij ken te bestaan. Alles samengenomen zou het, naar ik meende, dus geene aanbeveling verdienen, in deze meer dan onvermijdelijk in strikte omschrijvingen te vervallen.

Hoe in dat feit aanleiding ware te vinden — verklaarde ik niettemin — tot de verdenking, dat bedoeld zou zijn, aan den Minister en de ambtenaren een soort blanco-volmacht te geven tot oplegging van hun wil in den vorm van algemeene maatregelen van bestuur of koloniale ordonnanties, was minder duidelijk. Was eene zoodanige bedoeling mij niet vreemd geweest, dan had niets zoozeer daartoe behulpzaam kunnen zijn als preciseering, thans nog, van den aard der vereischte verordeningen, alvorens het toekomstig tijdperk van verhoogde zelfstandigheid van Nederlandsch-Indië een aanvang zou hebben genomen.

Sluiten