Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

voorts — naar ik deed uitkomen — de aanvaarding der onderhavige voorstellen ongezocht de gelegenheid, om alsnog geheel of grootendeels de organisatorische fout weg te nemen, welke na de instelling van den Volksraad in de staatsinrichting van Indië zich voordeed: het ontbreken van een rationeelen grondslag.

Waar het wetsontwerp uitsluitend betrof de regeling van de gewestelijke en plaatselijke bestuursvoering, verklaarde ik niet te kunnen inzien, hoe het zou kunnen praejudiceeren op de herziening der algemeene staatsinrichting en op de aanhangige grondwetsherziening. Inderdaad gold hier de tegenwerping van hen, die betoogden, dat thans alleen aan de orde was de hervorming van het bestuur vn Indië, niet die van het bestuur ovcy Indië, nog minder die van de verhouding tusschen Nederland en Indië.

Naar aanleiding van de door eenige leden gestelde vraag, of het ontwerp al dan niet inging tegen de voorstellen der Herzieningscommissie, was — zoo merkte ik op — terecht door andere leden gewezen op de groote overeenstemming tusschen die beide. Inzonderheid had men daarbij de aandacht gevestigd op het regentschaps- en het desabestuur en op het gewestelijk bestuur en de positie van den Gouverneur, zij het dat de Commissie in haar provincie den Gouverneur uitsluitend provinciaal orgaan had willen doen zijn, terwijl hij volgens het wetsontwerp tevens orgaan zou zijn van het algemeen gezag. En ook dit verschil nog was meer schijnbaar dan reëel, waar immers in de toelichting op artikel 112 van haar „Ontwerp van wet op de Landsordening van Indië" de Herzieningscommissie o. m. had betoogd, dat de Gouverneur in de eerste plaats orgaan was van regeeringsgezag, vertegenwoordiger van de centrale regeering van Indië, en in artikel 125 uitdrukkelijk zelfs een der onderwerpen noemde: de leiding nl. van de bestuurspolitie in het gewest, welke de Gouverneur in zijne evenbedoelde hoedanigheid zou hebben te beheeren.

Overigens stelde ik opnieuw in het licht, dat gemis van overeenstemming met de voorstellen der Indische Herzieningscommissie op zichzelf geen bezwaar behoefde te zijn. Zonder dat ook maar een oogenblik gedacht behoefde te worden aan een „min of meer uit de hoogte behandelen" van den arbeid der Commissie, behoorde de juiste beteekenis van haar rapport niet uit het oog te worden verloren. Zooals van verschillende zijden was gezegd, had dat rapport geen andere beteekenis dan die van een advies, uitge-

Sluiten