Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

zaak en ten slotte de begrootingswetgever in Nederland zich daarover kunnen uitspreken.

Werd tot den eerstgenoemden bestuursvorm besloten, dan zou krachtens het tweede lid van artikel 67a een Provinciale Raad moeten worden ingesteld, terwijl wanneer het gewest voorshands als „gouvernement" zou worden bestuurd, al dadelijk of later zou kunnen worden besloten tot instelling, eveneens bij algemeene verordening, van een „adviseerenden Raad".

Overgaande tot een andere opmerking in het Voorloopig Verslag, noemde ik het onverklaarbaar, hoe de in verschillende requesten geuite meening kon zijn ontstaan, dat door het wetsontwerp de Inlanders geen meerdere zeggingschap zouden verkrijgen. Die meerdere of mindere zeggingschap zou tot uiting moeten komen in de wijze van samenstelling der vertegenwoordigende lichamen. De regeling daarvan was overgelaten aan uitvoeringsverordeningen, welker grondslagen besproken waren in de Memorie van Toelichting. Was thans het Inlandsche element in de gewestelijke raden overal in de minderheid, bij de voorgenomen regeling zou het aantal Inlandsche leden zooveel mogelijk moeten worden uitgebreid, terwijl verder, zooals in de Memorie van Toelichting (blz. 14) was besproken, het College van Gedeputeerden zou bestaan uit den Gouverneur, die tevens ook in dit lichaam voorzitter zou zijn, en twee of meer, door den Provincialen Raad zeiven aan te wijzen, vertrouwensmannen, van welke, indien eenigszins mogelijk, de helft tot de Inlandsche bevolking zou behooren.

Dat verder, zooals trouwens vanzelf sprak, in de — door een Inlander voorgezeten — regentschapsraden het inheemsche element overwegend zou moeten zijn, was reeds door mij te kennen gegeven op blz. 21 der Memorie van Toelichting, waar uitdrukkelijk was verklaard, dat, hoe ook de samenstelling van deze raden in verband met verkiezing en benoeming van Inlanders en nietInlanders geregeld mocht worden, op den voorgrond zou moeten staan het vereischte, in elk geval, van een besliste gezamenlijke Inlandsche meerderheid. Het ten aanzien van provincie en regentschap in de Memorie van Toelichting nader uitgewerkt beginsel, om de zeggenschap van de Inheemsche bevolking in zeer belangrijke mate te vergrooten, maakte — in tegenstelling met de scheeve voorstellingen in de in het Voorloopig Verslag ver-

Sluiten