Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

king aan de landstaak. Welnu, in dit opzicht ging de Minister zoover als hij in een wetsontwerp, dat strekken moest voor geheel Indië, met mogelijkheid kon gaan. Hij opende de gelegenheid tot het scheppen van gemeenschappen met eigen rechtspersoonlijkheid, met eigen autonomie, die nog zeer beperkt was, en daarnaast opende hij den weg om soortgelijke gemeenschappen in het leven te roepen, die volkomen hun eigen huishouding besturen en waarin reeds binnen betrekkelijk korten tijd bewaarheid kon worden, wat voor gansch Indië nog ver in de toekomst lag, namelijk dat het ambtelijk bestuur verdwijnt en overgaat op de provinciale organen.

Spreker vroeg: „wat wil men meer en wat geeft den Heer Mendels het recht om te zeggen, dat deze bestuurshervorming achterlijk is? Daar heeft hij" — zeide spreker — „het recht niet toe".

Ik wenschte ook — vervolgde de Heer Idenburg — hem nog er opmerkzaam op te maken, dat wat de Minister voorstelt, volkomen aansluit bij de voorstellen der Herzieningscommissie. Spreker behoefde dit niet in den breede aan te toonen voor de lagere gemeenschappen, de regentschapsraden, voor de gemeenten. Dit wist men al; van links en van rechts, van alle zijden was er op aangedrongen, die regentschapsraden spoedig in te voeren, in Holland en in Indië. De quaestie liep over de hoogere gemeenschappen. Nu wenschte spreker er de aandacht van den Heer Mendels op te vestigen, dat in het verslag van de Herzieningscommissie de volgende zinsnede voorkwam: „Zoo spreekt dus de commissie zich uit voor de vorming van zelfstandige niet-staten, naar onderdeelen van het land, in ruime mate bekleed met zelfbestuur, uitoefenende autonomie, belast met het toezicht op de handelingen van binnen hunne grenzen liggende gemeenschappen".

Dit schreef de Commissie niet incidenteel, maar in eene uitvoerige uiteenzetting van hare inzichten — welke spreker aan de Kamer voorlas — lichtte zij die verklaring toe.

„Deze motiveering van de uitspraken der Herzieningscommisdie — zeide de Heer Idenburg — „had ook kunnen worden geschreven in de Memorie van Antwoord op het wetsvoorstel van den Minister. En ik vraag nog eens, of de Heer Mendels het recht had te zeggen, dat dit wetsontwerp zoo achterlijk is".

„Waarom" — vroeg bij interruptie laatstgenoemde afgevaar-

Sluiten