Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEHANDELING VAN HET WETSONTWERP

vulling zou dan echter niet kunnen luiden gelijk de Heer Mendels terloops had aangegeven, maar bijv. hierin kunnen bestaan, dat in het eerste lid zouden voorafgaan de woorden: „Voor zoover niet bij of krachtens deze wet anders is bepaald, wordt ten aanzien van...." enz.

Het kwam mij voor, dat dit de gewenschte aanvulling was.

Ik meende hiermede afscheid te mogen nemen van Mr. Mendels en wilde nog met een enkel woord mij richten tot den oud-Hoogleeraar Mr. L. W. C. van den Berg, vooreerst om ook dezen in het bijzonder dank te zeggen voor zijn steun. Door dien spreker waren enkele opmerkingen gemaakt, die ik nog kort zou beantwoorden. In de eerste plaats betrof het daarbij hoofdstuk IV van het Regeeringsreglement, dat, zooals terecht was gezegd, in verschillende opzichten herziening behoefde. Wanneer de gelegenheid daartoe zich voordeed, zou ik gaarne rekening houden met de beschouwingen van genoemd Kamerlid.

Verder was o.m. door den Heer Van den Berg in het licht gesteld, dat de namen, die voor de nieuwe organen waren gekozen, voor den Inlander in het gebruik zekere moeilijkheden zouden opleveren. Als andere geschikte uitdrukkingen te vinden waren geweest, van meer bruikbaarheid ook in dat opzicht, zou ik die aanstonds voorgesteld hebben. Zij waren echter niet te vinden en dus zou men ook in het Inlandsch spraakgebruik zich moeten voegen naar de aangegeven benamingen, wat spoedig geen bezwaar meer zou opleveren.

Hiermede geloofde ik de voornaamste punten te hebben besproken van hetgeen bij de beraadslagingen was voorgebracht.

Ik eindigde met den wensch, dat de voorgestelde wetgeving, die inderdaad voor mij persoonlijk in zekeren zin een levenstaak was geworden, door de beslissing der Kamer tot verwezenlijking zou mogen komen. Ik hield mij overtuigd —verklaarde ik — dat, zooals ook door den geachten afgevaardigde den Heer Idenburg zoo krachtig was betoogd, op de grondslagen van die wetsbepalingen Indië in staatkundigen en maatschappelijken zin zich zou kunnen ontwikkelen tot in verre toekomst, op een wijze en in een mate, die aan elke gegronde verwachting beantwoorden zou.

Van Embden. Als spreker had inmiddels nog zich aangemeld het vrijzinnigdemocratisch Kamerlid Prof. Van Embden, die echter al dadelijk

Sluiten