Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAATREGELEN TOT UITVOERING DER WET

staatsrechtelijk gebied waren het inzonderheid het „ComitéNederlandsch-Indië" en de vereeniging „Indië-Nederland", die door aanbieding van meer of minder uitgewerkte nota's hunne inzichten aan de Regeering kenbaar maakten. Van ernstige overweging van de verschillende onderdeelen der zaak getuigden in het bijzonder de beschouwingen van laatstgenoemde zijde, waarbij aan het slot groote waardeering voor het ontworpen schema van hervorming werd uitgesproken, echter onder het voorbehoud, dat onverkorte verwezenlijking van de beginselen der Regeering met betrekking tot de positie van het Inlandsch ambtelijk bestuur op Sumatra een ernstige bedreiging werd geacht voor het welslagen van het plan.

Het bezwaar betrof daarbij in hoofdzaak de (vermeende) bedoeling der Regeering tot ontwikkeling der positie van het Europeesch en Inlandsch ambtelijk bestuur naar het voorbeeld van de Java-organisatie. Behoud van de termen: „residentie", „afdeeling" en „onder-afdeeling" voor de tegenwoordige ressorten werd noodzakelijk geacht. Deed men dit niet, dan werd het „traditioneele" uiteengerukt, enkel ter wille van de financieele doelstelling: versobering der basis van het Europeesch bestuurskorps( ?).

Openbare be- Het onderhavige wetsvoorstel tot goedkeuring van het besluit

handeling. °

van den Gouverneur-Generaal betreffende de doorvoering der bestuursreorganisatie in de Buitengewesten werd op Dinsdag 15

<Eerste ter" Maart in de Tweede Kamer in bespreking genomen l). Al dadelijk deed de eerste spreker, de woordvoerder der Christelijk-Historische Kamerfractie Dr. van Boetzelaer van Dubbeldam, vermoeden, dat van zijne partij, althans van een gedeelte zijner partij, geringe instemming te verwachten viel en met zekerheid liet den volgenden dag voor de sociaal-democratische fractie zich ditzelfde constateeren uit de beschouwingen van het lid dier talrijke parlementaire groep, den Heer Cramer. De daaropvolgende rede van den vrijzinnig-democratischen afgevaardigde Mr. Joekes stelde eveneens onthouding van medewerking van die zijde buiten twijfel.

Eene tegenstelling daarmede vormden de beschouwingen van de Katholieke Kamerleden, de Heeren Feber en Dr. Moller. Behoudens enkele inlichtingen, die alsnog werden gewenscht, werd

i) Handelingen Tweede Kamer 1931/1932, blz. 1903.

Sluiten