Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONTSTAAN VAN HET GEMEENTEBEDRIJF

door particuliere ondernemers bereikt wordt of kan worden bereikt. Aangenomen wordt, dat nu evenals vroeger de openbare nutsbedrijven de belangrijkste ondernemingen der gemeenten zullen blijven. Hulpbedrijven, zooals drukkerijen, kweekerijen enz. kunnen slechts voor de eigen gemeentelijke behoeftenvoorziening worden opgericht en moeten overigens aan het particuliere bedrijfsleven worden overgelaten. Banken (uitgezonderd spaarbanken, waarvoor een afzonderlijke regeling bestaat) mogen gemeenten niet stichten 1).

Hier te lande is een poging gewaagd om het terrein der gemeente- Wetsontwerp lijke bedrijven wettelijk af te bakenen in het Wetsontwerp-Kuyper ^uyper" van 1903 2).

Volgens een voorgesteld artikel 142bis zouden door de gemeente geen andere bedrijven mogen worden uitgeoefend dan:

a. dezulke, waarbij door middel van leidingen, in of boven den grond, eenige stof onder bereik der verbruikers wordt gebracht of hun diensten worden bewezen;

b. door instellingen, inrichtingen en ondernemingen ten dienste van het verkeer, den landbouw, de nijverheid en den handel, bankinstellingen daaronder niet begrepen.

Voorzoover vanwege gemeente-instellingen en -inrichtingen,

welke strekken tot behartiging der gemeentezorg voor de openbare gezondheid en reinheid, tevens tegen geldelijke vergoedingen werkzaamheden zouden worden verricht voor, of diensten bewezen of leveringen gedaan aan bijzondere personen, zou dit laatste niet worden beschouwd als het uitoefenen van een bij de wet uitgesloten bedrijf.

Blijkens de Memorie van Toelichting achtte de Minister het niet Motiveering. geraden, dat aan de gemeenten vrijheid werd gelaten om op elk.

gebied als ondernemer op te treden.

„Voor monopolistische bedrijven kan de grond voor gemeenteexploitatie liggen in de omstandigheid, dat de onderneming in zekeren zin tot den publieken dienst behoort en daarom beter onder rechtstreeksch beheer van het gemeentebestuur wordt gebracht,

of ook in de vrees voor te groote invloed en macht van een conces-

1) Goetz in Gedenkboek blz. 303, 304.

2) Bijlagen Tweede Kamer 1903, no. 108.

Sluiten