Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heen. De wereld leek zoo wijd en open, dat er zelfs plaats moest zijn voor dat ongekende, matelooze in haar, dat de bolle herfstwind opstuwde en dat reikte tot den verren horizon, waar een nieuwe, nooit gekende vreugde gloorde.

Stance zag diep ademend de wijde wereld aan. Over de ontluisterde tuinen heen keek ze op de kade, waar de lage horden der gele bladeren voortijlden. Ze zag de woelende rivier, hier en ginds en verder, telkens in een flits haar gepolijsten rug met de witte schuimkammen toonend. Ze zag de vlakke weiden, sterk groen nog, met de kleurplekken van het roodbont IJselvee. En verderop was de zware dijk, die log als een „ungelenk" danseur de bewegingen van zijn partnerin, de soepele rivier, trachtte te volgen.

En nog weer verder weiden en akkers en rijen ijle boomen. En heel ver de blauwe horizon, waar de bosschen waren. Maar als je naar de bosschen toeging, waren ze niet meer blauw. Dat was haar als kind een groot verdriet geweest.

Buitendijks liep door de groene uiterwaarden een populierenlaan. Die lag wel zoo hoog, dat hij dikwijls als een voorbehoedende dijk het water keeren kon, maar bij hooge vloeden stroomde hij onder en de ranke populieren rezen op uit de watervlakte en dat stond zoo mistroostig .... zoo hulpeloos .... dat het Stance wel bijna had doen schreien. De laan voerde naar een wit huis, waar een theetuin was.

Sluiten