Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heb het meneer gerajen. Het ben de ie . . . .nige blommen, die het hier doen .... op dezen vetten grond en zoo onder de boomen. Alle jaren heb ik ze hier gepoot. Dertig jaar lang voor mevrouw Rodenstein. Ze doen het hier goed."

„Ik had gedacht. . . .", zegt Stance weifelend en weet niet meer wat. Ze heeft aan naamlooze bloemen gedacht, die wit en teer en ijl zouden bloeien .... een sprankeling van bloesems .... en geuren in den zomernacht.

„Het ben mooie blommen," zegt het tuinmannetje, „en dankbare blommen en sterke blommen. Mevrouw zal d'r plezier an beleven."

Stance ziet naar de dikke, vleezige, behaarde bladeren en de groote bloemkelken. Nog maar een enkele heeft zich wijd open gespreid. De meeste zijn nog in knop. Er is aan deze bloemen zooiets kils. Ze lijken op amphibieën.

Ze glimlacht het mannetje toe. Hij is zoo oud en zoo volijverig.

„O ja," zegt ze, „het zijn heel mooie bloemen." — Maar kil —, denkt ze, — kil en ... . ja en boosaardig. Het zijn geen bloemen. — Een gele kelk is wijd open en een donkerroode. Hoe strak en intens en vijandig staren ze haar aan. Zouden ze nu weten, wat ze gedacht heeft en haar voortaan haten? —

In alle heimelijk gespeelde kinderspelletjes hebben de dingen .... de voorwerpen .... deze beleefdheid gehad.

Sluiten