Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de kleurige vruchten liggen uitgestald : citroenen en sinaasappelen en amandelen en kersen en aardbeien en abrikozen, al naar het seizoen. Ze koopt wel van deze vruchten en beraadt lang welke ze mee zal nemen.

Soms gaat ze door deze straten te zamen met den man. Dan is het altijd avond. Achter de winkelruiten schemert een goudig licht en de glans van de vruchten is minder openlijk dan op den dag, heimelijker en feller tegelijk.

Dan gaat ze, even achterovergeleund in de buiging van zijn arm. Het is, of hij haar draagt. Het is, of hij alle zwaarte uit haar weggenomen heeft. Ze gaan niet snel. Hun loopen is als een lange streeling over den goeden weg, dien ze nu volgen. De weg voert langs den ouden, brokkeligen muur, die den heimelijken tuin omringt en waarover de zware trossen van den bloeienden sering omlaaghangen. Met haar hand kan ze deze trossen beroeren. En het is, of de teeder-zoete geur, die het diepste leven van deze zwaar neerhangende lila trossen schijnt te zijn, zich langzaam .... langzaam .... als een eindeloos lint wikkelt om haar en om hem. — Nu zijn we zoo zeer samen —, denkt ze, — dat we nooit weer vaneen kunnen gaan. —

Dan is het, of de huizen, de straten, de muren beginnen te vervluchtigen. Ze worden als wolken aan den hemel, onvast en transparant. Ze drijven voorbij en zij staan stil. Of zijn zij het, die voorbijdrijven aan deze ijle wolkenstad?

Sluiten