Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK 9.

Op den hoogen weg staat de tilbury, waarmee Jetje gekomen is, over de wegen, die nu bedekt zijn met een harde, glinsterende substantie — een koud soort edelsteen — die niets meer gemeen heeft met de donzige rulheid van versch gevallen sneeuw.

Jetje, die nu de vrouw is van dokter Frijling in Her-

keloo.

Haar gezichtje kijkt blozend en malsch onder het bontmutsje uit, waaromheen als een aureool een glinstering van blonde haren staat.

Het bruine paard draagt bellen en tegen de felle vrieskou roodwollen oorbeschermers. De kleine jongens — Jo, Freek, Gerard — zijn op het gerinkel der bellen naar buiten komen loopen, met hun gelaarsde voeten een harden roffel slaand op het bevroren tuinpad. Nu bedelen ze om mee terug te mogen rijden met Dries, den boerschen koetsier met de strakke, appelroode koonen en den breeden glimlach van oor tot oor.

— Een eindje maar een klein eindje maar. Toe

tante ! —

En Jetje steekt haar mof op een witgemutst paaltje van het tuinhek en heft de een na de ander de stevige figuurtjes met de spartelbeenen op naar Dries, die ze naast zich op de bank posteert.

Sluiten