Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Over de spoorbrug heen dan en over de schipbrug terug. —

Het groote paard blaast witte adempluimen uit en het heeft beijzelde haren rond zijn neus. Zoo nu en dan stampt het met een voorpoot, wat de bellen doet rinkelen.

Stance ziet het tafreeltje door de halfontdooide ruiten van de voorkamer. Het staat daar zoo fleurig en blij, zoo tintelend van jong en vreugdig leven. Het staat daar, omhuld van een goudig floers, dat hangen blijft op ijle, rookblauwe morgennevelen. Het staat — dit blij tafreeltje — als oversproeid door een fontein van zonlicht.

De jongetjes zitten naast Dries, glunderende kabouters naast een goedigen reus.

Licht deinend schiet de tilbury vooruit. De bellen rinkelen een sprankelend staccato, dat uitjubelt boven den gedempten hoefslag van het paard op de bevroren sneeuw.

Jetje heeft de mof van het hekpaaltje genomen. Ze komt met kittige zelfverzekerdheid aangestapt over het tuinpad.

Jetje, het jonge mevrouwtje. Ze gloriet in die rol, die nog net zooveel rol is gebleven, dat haar zelfverzekerdheid niet doorslaat naar arrogantie.

De vreugde.... de overmoed .... het juichende van dat stukje leven, dat als een tooverlantaarnprentje aan haar voorbij is geschoven — ginds op den hoogen

Sluiten