Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is nu heel druk op de baan. Opgeschoten jongens rijden in lange slierten. Tusschen de warreling van donkere menschfiguurtjes voelt ze zich koud van vreemdheid worden. Ze struikelt een paar maal over een barst en vergeet met den luitenant te spreken.

— Een wonderlijk vrouwtje —, denkt die. — Wat een oogen. Bepaald unheimisch. —

En eensklaps zegt ze dan met een stem, zwak en smeekend van moeheid, als een kind, dat verdwaald is : — Ik .... ik wou graag naar huis. Onze tuin komt uit op de gracht. Als u me even brengen wilt.... tot het steigertje. Ik voel me .... zoo moe. —

Naarmate het stiller wordt op de baan, klinkt luider het kriskras van hun schaatsen. Er klinkt iets in door van hoon en spot. Stance is het, of ze ijlings vluchten moet voor dit kriskras .... voor dezen spot, die elk oogenblik tot een dreiging kan worden.

Dan zit ze op het besneeuwde steigertje. Ze is moe, alsof ze hier zou kunnen slapen gaan. De luitenant, geknield, bindt haar schaatsen af. Ze vergeet waar ze is ... . met wien .... waarom. Het is, of een donkere melancholie haar wegzuigt van dit heden-oogenblik.

— Mevrouw —, zegt hij aarzelend, als ze steeds maar zitten blijft, — hoe gaat het nu? Zal ik u verder thuisbrengen? —

Met inspanning trekt ze haar gedachten terug tot dit moment .... tot dezen man. Ze glimlacht. De groote, droeve oogen.

Sluiten