Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat van Jetje stevig en gezond en zoo levendig-blij bedrijvig. Dan weer geabsorbeerd slapend.

— Zoo is een kind, dat graag leven wil —, had ze gedacht. Hoe aarzelend en weinig overtuigd leefde daarnaast haar kleine, stille meisje. Alsof het altijd nog maar niet besluiten kon. — Het zal er nooit werkelijk bij hooren —, had ze op eenmaal zeker geweten. Het zal altijd alleen zijn en zoo veel verdriet te dragen krijgen. Het leven zal zoo zwaar op haar liggen. Ze zal zoo moe worden. Straks zal het al beginnen als het wolkige wegtrekt uit haar oogen. Ik kan daar niets aan doen. Ik kan niet helpen. Ik ben zelf onmachtig. —

Als een heete, verterende pijn was in haar weer het vloeien van het medelijden geweest. En terwijl ze stil zat en keek naar de beide kinderen, had ze geweten : Ik kan het niet laten gebeuren. Ik zal haar toch helpen. Niet om te leven, maar om te ... .

Met den val van dat laatste woord in haar was meteen de verdooving .... de bewusteloosheid gekomen. Ze wist niet meer van wat ze doen ging. Ze dééd alleen nog maar, als eene, die haar daden zijn voorgezegd. Ze deed, wat immers gebeuren moest. Ze nam het slapende kind uit de wieg. Aan den rand van haar bewustzijn als het ware, beleefde ze scherp en helder het moment, maar ze dacht daar niet overheen. Elk moment was een volkomen afgeslotenheid, gebonden aan verleden noch toekomst. Als een secondewijzer op een horloge sprong haar aandacht, snel en paraat, van het eene oogenblik op het andere.

— Het meisje moest de wollen cape omhebben. Het

Sluiten