Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de voornaamwoorden gemeenlik met het genus van de naamwoorden overeen. Dit hangt ongetwijfeld hiermee samen, dat in de zuidelike dialekten de drie naamwoordelike klassen of genera nog door de buigingsverschillen van de attributieve woorden zijn gekenmerkt, zodat de substantiviese genustrits nog in ieders taalgevoel leeft. Een en ander is vanzelf zo te verstaan, dat de zuidelike koinê-sprekers in zake naamwoordelike klassen en voornaamwoordelik gebruik, onbewust en spontaan hun dialekties taalgevoel op het „algemene” Nederlands toepassen — welke toepassing in de meeste gevallen overeenstemt met de z.g. Te-Winkelse schrijfgewoonte.

In de hollandse gewesten evenwel, en ook elders waar de naamwoorden formeel slechts in twee klassen onderscheiden worden; een de-klasse en een ftef-klasse, is het parallelisme met de drie voornaamwoorden (hij: zij: het) verbroken —dus nog weer anders dan in het Engels, waar drie ponomina tegenover één lidwoord en één naamwoordklasse staan. De verbreking van dat parallelisme maakte in „Holland” de band losser en losser tussen voornaamwoorden en substantieven — die al lang niet meer bestond bij allerlei „namen” van personen (eventueel ook bij die van sommige dieren). Men zou dus kunnen zeggen, dat Terpstra’s formulering: „bij de vnw. aanduiding der znw.” beter bij het zuidelik spraakgebruik paste; die van Marchant: „bij de vnw. aanduiding van zelfstandigheden” vooral in het noorden geldt. In de taalwerkelikheid komt het verschil in kwestie daarop neer, dat in het bovenmoerdijkse talrijke malen mannelike pronomina worden gebruikt, waar benedenmoerdijkse sprekers vrouwelike voornaamwoorden bezigen.

Spreken en schrijven.

Toch is die tegenstelling in de praktijk veel geringer dan men uit het voorafgaande zou kunnen

Sluiten